|
Navigator
|
De geslachten Væbner en Halvegge door W. Bruijnesteijn van Coppenraet Inhoud: Namen en wapens blz. 3
De oude familie Halvegge 7
Het geslacht Væbner 12
Het jongere geslacht Halvegge 20
De niet-adellijke familie Halvegge 37
Diversen 45
Overzicht Halvegge 46
Albert Haelwegh 47
Diplomatarium 49
B
Arnhem (NL), 2009 Enige aanwijzingenEnkele standaardvertalingen Deens / Latijn / Duits / Nederlands syssel, amt herred = provincia sogn = parochia gård hovedgård = curia ting = placitum (by)foged = scultetus væbner = armiger god(s) = bona skøde = scotacio København = Hafnia = Provinz = provincie = Gau = gouw = Kirchspiel = kerspel = Hof = erf = Landgut = landgoed = Gericht = gericht = Schultheiß, Drost = schout, drost = Junker = jonker = Gut, Güter = goed(eren) = Übertragung = transport = Kopenhagen = Kopenhagen s. = sogn; h. = herred; o.c. = opus citatum (publicatie). * = geboren… = gehuwd; † = overleden; ¬ = begraven. £ = vermeld, in leven, woonachtig. De genealogische schema's bevatten tekst in de oorspronkelijke taal van de gegevens, dus meestal in het Deens, soms in het Latijn. * * * De getallen tussen haakjes (---) verwijzen naar de referenties in het diplomatarium aan het einde van dit artikel. Ook de afkortingen voor bronverwijzingen worden in het diplomatarium verklaard. De enorme hoeveelheid der bronnen maakte een bijzondere compact referentiesysteem noodzakelijk, met dit diplomatarium als resultaat. Een gebruiksvoorbeeld staat op de laatste pagina. De zegeltekeningen zijn ontleend aan Petersen (o.c. 1) en Thiset (o.c. 3); de drie wapentekeningen in het eerste hoofdstuk komen uit Achen (o.c.). * * * Velen hebben mijn dankbaarheid verworven door hun hulp bij dit onderzoek. Het personeel van het Staatsarchief en de Koninkijke Bibliotheek in Kopenhagen ben ik erkentelijk voor hun doelmatige assistentie. * * * Een eerdere versie van dit artikel werd reeds gepubliceerd in Genealogische Bladen, 3 (1996), 139ff. * * * Namen en wapens.De geslachten Halvegge en Væbner behoorden tot de Deense oeradel 1. Hun familiewapens vinden we op de zegels onder vele oorkonden. Gelukkig, want veelal staat slechts door het wapen de identiteit vast van de drager, die in het document zelf alleen met een patroniem wordt aangeduid. Geslachtswapens waren in het middeleeuwse Denemarken in beginsel uniek: verschillende geslachten voerden ook verschillende wapens. De Deense historici gaan er vanuit, dat ook families met verschillende namen, maar met gelijk wapen, in werkelijkheid takken van een en hetzelfde geslacht geweest moeten zijn, ook al is dat genealogisch niet meer aantoonbaar (Barner, o.c., p. 14). Het wapen van de familie Væbner wordt in het „Lexicon over Adelige Familier in Danmark” (1787) omschreven als: in azuur een geharnaste arm, gewapend met een zwaard met gouden heft, de punt naar links. De punt naar links moet een vergissing zijn, want alle bekende zegels en andere oorspronkelijke afbeeldingen tonen de zwaardpunt naar (heraldisch) rechts, zoals hiernaast afgebeeld. Voorzover de afbeeldingen een helmteken vertonen, is dat een zelfde gewapende arm, boven de helm uitrijzend. Buiten de zegels, gebruikt van 14201580, en enkele grafstenen, zijn er mij geen authentieke afbeeldingen van het wapen bekend. Het is dan ook onduidelijk, waaraan het Lexicon de kleuren ontleend heeft. Zegels en grafstenen tonen nu eenmaal geen kleuren. Tot op zekere hoogte is het een „sprekend” wapen. Væbner betekent immers: schildknaap, jonker, etymologisch: wapenaar, Latijn: armiger. ![]() Overigens zij hier gestipuleerd, dat ik de naam Væbner voor dit geslacht op gezag van de literatuur gebruik. Ik heb in de originele bronnen slechts patroniemen, en geen enkele maal de familienaam vermeld gevonden. En hier stuiten we dan meteen op een eerste dubieuze kwestie. Barner (o.c., p. 16) noemt het geslacht Væbner als voorbeeld van de adellijke families die pas na het edict van 1526 (waarbij de koning de adel opdroeg geslachtsnamen te voeren) een naam kozen, en het gebruik zoveel mogelijk vermeden. Het enige mij bekende authentieke voorkomen van de naam Væbner is in de naam van het landgoed Væbnerholm in Føvling, waar de familie geleefd heeft. Deze naam werd overigens pas toegepast ná het uitsterven van het geslacht in 1587. De naam Væbnerholm zou in het Nederlands vertaald kunnen worden met „Jonkershof”, een naam waaraan men toch ook niet de zekerheid zou durven ontlenen, dat de daar wonende edellieden (jonkers !) dus de geslachtsnaam Jonker voerden.
* * Onder oeradel begrijpt men de geslachten wier adeldom rechtstreeks voortkwam uit hun maatschappelijke status in „oeroude” tijden. Er is dan geen sprake van een aantoonbare toekenning van adeldom, hoogstens van een latere èrkenning. Dit in tegenstelling tot de „briefadel”, een per diploma (adelsbrief) gedocumenteerde uiting van de gunst van een regerend vorst. Onder de naam Halvege toont het genoemde Lexicon drie verschillende wapens: Het wapen met het nummer 48 werd gevoerd door Jens Olafsen Halvegge en zijn nakomelingen, in het navolgende aangeduid als „het jongere geslacht Halvegge”. Als we Danmarks Adels Årbog (DAÅ 1946) mogen geloven, was hij van geboorte een Væbner, maar nam hij de naam aan van zijn moeder Halvegge. Op de verschillende zegels van deze familie hebben arm en zwaard de meest uiteenlopende standen. Blijkbaar werd de stand niet als belangrijk ervaren. In de wapenboeken van Thiset en Petersen tonen sommige zegels een strik om de kling van het zwaard (ook in het helmteken). Dit is op vier van de afgebeelde elf verschillende zegels het geval. Voorzover ik echter in de gelegenheid was de originele zegels te bestuderen, bleek in de overige gevallen eveneens de strik aanwezig te zijn, door de genoemde auteurs over het hoofd gezien wegens de onduidelijke zegelafdrukken, of de slechte toestand der zegels 2. De strik is onmiskenbaar bedoeld als een distinctivum, om deze familie Halvegge te onderscheiden van de Væbners. Voor mij is het dan ook een open vraag of het automatisme, waarmee de historici deze twee families als takken van één geslacht willen zien, hier wel op zijn plaats is. Ik kom daar in het betreffende hoofdstuk nader op terug. ![]() * * Het wapen nr. 49 van de oude Halvegge-stam is van slechts drie verschillende zegels bekend, daterende van 13871488 (afgebeeld in het volgende hoofdtuk). De omschrijving in het Lexicon, en in DAÅ (1896) is: twee elkaar toegewende zuidwesters (stormmutsen). Het helmteken is een paar buffelhoorns. We mogen aannemen, dat de auteur van het Lexicon naar beste inzicht gepoogd heeft de zegelbeelden te interpreteren. Aan de juistheid van die interpretatie kan echter getwijfeld worden. Waarschijnlijker is de uitleg „twee halve weggen”, die ik met de hand vond bijgeschreven in een archiefexemplaar van Petersen's wapenboek. Dit is in overeenstemming met de uitleg van de naam (in de oudste vorm Halffwægge), zoals die door G. Knudsen (o.c.) wordt gegeven: halve wegge, waarbij wegge (oud-Deens wægge) oorspronkelijk wig betekende, maar later de naam werd van een wigvormig tarwebroodje met uitstekende punten. Ook in het Nederlands is wegge de naam voor een vorm van brood. De verwijzing naar brood lijkt me echter niet ter zake: het is ongeloofwaardig, dat een middeleeuws geslacht van edellieden zich zou noemen naar zoiets triviaals als een half kadetje. Waarschijnlijker is een andere afgeleide betekenis van wægge: de (wigvormige) kop van een bijl, hier dan op te vatten als strijdbijl. Het is alleszins denkbaar, dat de eerste Halvegge zijn naam dankte aan het feit, dat zijn strijdbijl (het voornaamste wapen van de Deense viking) op een cruciaal moment in het ongerede geraakte, en hij zo gehandicapt het gevecht moest voeren. ![]() * * In aanmerking kwamen: Thiset (o.c.3), Axi 2 t/m 10, en Petersen (o.c.1), nrs. 302 en 438. Hiervan tonen Axi 2, 3, 5 en 438 reeds in de zegeltekening de bedoelde strik. Nadere bestudering van de originele zegels Axi 4, 6 en 10 toonde aan, dat ook daar de strik aanwezig is. De originelen van de overige nummers Axi 7, 8 en 9 en 302 heb ik niet onder ogen gehad. ![]() De grafsteen volgens (278). De tekening is van Søren Abildgaard, 1756. Blijft tenslotte het wapen met nr. 47. De auteur van het Lexicon refereert aan Jakob Nielsen Halvegge in de oorkonden (4) en (8). De eerstgenoemde oorkonde betreft echter niet Jakob Nielsen, maar de johannieter monnik Jakob Halvegge (het zegel is helaas verloren). In oorkonde (8) komt Jakob Nielsen wel voor, maar niet als zegelaar. De enige mij bekende authentieke bron met een soort kruiswapen is de grafsteen uit ca. 1562 van Sophie en Anna Grubbe, wier grootmoeder Mette Halvegge was (278). Een tekening die Abildgaard in 1756 maakte toont een reeds sterk gesleten steen, waarvan de tekst al niet meer te reconstrueren was. Het „kruiswapen” rechts beneden is dan stellig ook het resultaat van die slijtage. Ca. 1670 maakte Resen (o.c. 2, p. 73) reeds een schets van het wapen, die weinig beter was (de tekst was toen nog wel te ontcijferen). Ik vermoed nu, dat de auteur van het lexicon (uit 1787) is uitgegaan van een onnauwkeurige beschrijving volgens Resens tekening. Men kan zich dus een ontwikkeling voorstellen volgens onderstaande tekening, waarbij de linker figuur het origineel uit 1562 voorstelt, de middelste de exact weergegeven tekening van Resen uit 1670 is, en de rechter figuur de interpretatie door de auteur van het lexicon uit 1787 toont. Die voorstelling door het lexicon is ook tot de internationale wapenboeken (bijv. Rietstap) doorgedrongen. Ook DAÅ (1896) kwalificeert het kruiswapen echter reeds als onjuist. Merk op, hoe ook het helmteken van buffelhoorns naar adelaarsvleugels is geëvolueerd ! ![]() Het is mij niet bekend of het wapen als een Halvegge-wapen werd geïnterpreteerd omdat Mette het voerde, of, omgekeerd, of aan Mette de naam Halvegge is toegedacht op grond van haar wapen. Ik ben haar familienaam in geen enkele originele bron tegengekomen. * * De naam, die dus in zijn oudste vorm Halffwægge was, komt in de Deense biografische handboeken voor als Halveg of Halvegge. Halvegge kan beschouwd worden als de moderne Deense schrijfwijze met dezelfde klankbetekenis als Halffwægge (vergelijk: haffwer haver, scriffwe skrive, enz.). De verkorte vorm Halveg is waarschijnlijk een gevolg van het feit, dat de jongere familie (p. 20 e.v.) de familienaam nooit in de landstaal, maar slechts in Latijnse teksten toepaste: Haluegius. Aan de Latijnse vorm is niet te zien of het Deense equivalent twee- of drielettergrepig is. Wellicht heeft ook de naam van Albert Haelwegh (zie p. 47), die men ten onrechte als een telg van dezelfde familie beschouwde, de biografische auteurs op het verkeerde been gezet. Tenslotte is het ook mogelijk, dat de jongste generaties van de familie inderdaad zelf voor een verkorte vorm van de naam gekozen hebben. Ik zal in dit artikel verder uniform de spelling Halvegge hanteren, ongeacht de steeds wisselende spellingen in de bronnen en referenties. De naam Halvegge (en varianten) is in Denemarken uitgestorven met de dood van Esbern Nielsen Halvegge in 1648. Het geslacht heeft echter waarschijnlijk een voortzetting gehad in de Nederlanden. Een hedendaagse familie Halveg in Denemarken is het gevolg van een recente arbitraire naamkeuze. * * * De oude familie Halvegge.De oudste generaties. Niels Jensen van Kværkeby (Ringsted h.) verpandde op 1-9-1340 voor 3½ mark zilver 3 zijn goederen in Avnstrup (Ringsted h.) aan Jakob dictus Halvegge (1), frater van de johannieter orde in het klooster Antvorskov. Deze droeg ze op 15-1-1346 over aan Jens Bæger, voor hetzelfde bedrag (4). Diens gelijknamige zoon, de ridder Jens Bæger, droeg het pand dat nu werd aangeduid als het erf Jonstrup, voorheen bewoond door Mikkel Lang op 4-12-1360 over aan Jakob Nielsen dictus Halvegge, zonder dat er sprake was van een pandsom (8). Terwijl het tot nu toe duidelijk steeds ging om een pand dat overgedragen werd, valt het op, dat de laatstgenoemde reeds op 4-3-1361 hetzelfde goed te Avnstrup in pand gaf wederom voor 3½ mark zilver aan Kristoffer Eriksen, alsof het zijn vrij eigen bezit betrof (9). Dit, alsmede het feit dat in 1360 geen pandsom werd genoemd, maakt aannemelijk, dat Jakob Nielsen de zoon en erfgenaam was van de oorspronkelijke bezitter Niels Jensen, zodat blote eigendom en pandbrief zich bij hem verenigden. Het ziet er dus naar uit, dat Niels Jensen zijn goed aanvankelijk verpandde binnen de familie (zijn broer ?), en wel voor drie maanden. Toen de aflossing uitbleef, heeft de pandnemer tenslotte na ruim vijf jaar het pand doorgegeven aan een buitenstaander. Pas na twintig jaar vond de uiteindelijke afwikkeling plaats tussen de zoons van beide partijen. Blijkbaar kon Jakob Nielsen zich dat echter toch niet veroorloven, want binnen enkele maanden verpandde hij het opnieuw. Niels Jensen van Kværkeby droeg in 1345 enig bezit in Snoldelev (Tune h.) over aan een zekere Gynceke (3). Hij wordt voorts genoemd op 30-8-1346 als lid van het landsgericht van Zeeland te Ringsted (5), en misschien is de provenier Niels Jensen, donatus ordinis beati Johannis in Antvorskov, die op 11-5-1348 zijn bezit in Lille Elmue (Fakse h.) afstond (7), dezelfde. In 1370 verpandde Jakob Nielsen dictus Halvegge zijn erven in Gerlev (Horns h.), Tørslev (Horns h., twee stuks), Tolstrup (Særløse s., Voldborg h.) en Agerup (Hyllinge s., Flakkebjerg h.) aan een zekere Karl Jensen (10). De blote eigendom kwam later in handen van Offo Petersen van Tørslev en zijn vrouw Ingerd Jensdr., die hem in 1416 schonken aan het cisterciënzer Sorø-klooster (23). De pandbrieven, die in bezit gekomen waren van Knud Andersen (Panter) te Svanholm (Horns h.) werden in 1429 door het klooster ingelost voor 60 mark zilver (31). In -9-1374 droeg Helenborg Olufsdr. (Bille) haar goederen te Førslev (Flakkebjerg h.) over aan Jakob Halvegge (11). Jakob Halvegge in Førslev dus duidelijk dezelfde droeg op 14-9-1395 een erf in Kvislemark (Flakkebjerg h.) over aan Åge Jepsen Krag (17), die dit op 24-6-1411 verpandde voor 16 mark zilver (21). Eveneens in 1395 werd hij, voor 4 pond graan per jaar, beleend met alle te Førslev gelegen kloostergoederen van het Antvorskov-klooster (18). Tenslotte vinden we Jakob Halvegge in 1378 (12), 1387 (13, 14), 1394 (16), 1408 (20, in Førslev), merendeels als medezegelend getuige. De illusie, dat we ook in deze gevallen nog steeds met Jakob Nielsen te maken hebben, wordt verstoord door de oorkonde van 31-12-1387 (13), waaraan nog het zegel hangt, met omschrift S[igillum] Jacobi AndreĊ Halwegge. Er moet dus onderscheid gemaakt worden tussen Jakob Nielsen, actief in 136070, en Jakob Andersen, die tussen 13741408 optrad. Onder voorbehoud kunnen we tot de hieronder aangegeven Een mark zilver (mark sølv) was de tegenwaarde van 218 gram zilver, wel te onderscheiden van de mark munten (mark penge), die aanvankelijk (ca. 1100) dezelfde waarde had, maar tot 1315 geleidelijk tot een tiende van die waarde daalde. In 14101560 gold: 1 mark sølv = 1 lødig mark = 5 skilling grot = 45 skilling = 60 grot = 135 hvid = 180 sterling = 540 penninge. Daarnaast was 1 lybske mark = 16 skilling = 192 penninge. Zie Helms, o.c., p. 660. Jakob Nielsen en de johannieter broeder Jakob zijn dan losse elementen, die slechts door de naam Halvegge met de rest verbonden zijn. Generation
1330 Jakob Nielsen Anders dictus Halvegge £1360–70 1355 Jakob Andersen Halvegge i Førslev £ 1374 – 1408 * * Evert (I) Halvegge.
Op 30-10-1427 trad Evert Halvegge op als lid van het gericht van de Flakkebjerg gouw (28). Hij bleek te Førslev thuis te horen en zegelde met hetzelfde wapen als Jakob Andersen, zodat we gevoeglijk kunnen aannemen, dat hij zijn zoon was. Evert (I) Halvegge (28) Tenslotte werden in 1458 de handelingen van Johanne ten aanzien van de pandbrief van Per Raris goedgekeurd en bekrachtigd door haar schoonzoon Peder Mogensen (92). Deze Peder Mogensen van Førslev, die de familienaam Ravensberg bleek te dragen, vinden we nog als lid van het landsgericht van Zeeland op 6-5-1472 (113), als lid van een koninklijk scheidsgericht op 12-1-1485 (132), als medezegelend getuige op 19-3-1485 (136) en als attestant op 26-8-1499 (174). Hij had een dochter Margrethe Ravensberg. Helaas wordt de naam van Peders vrouw, dus de dochter van Evert Halvegge, nergens genoemd. In de Markmand-genealogie (PHT 1894, p. 186) staat vermeld, dat het erf te Førslev van Evert Halvegge, via zijn dochter ( * * Jep (II) Halvegge. Ook de volgende generatie omvatte slechts één mannelijke Halvegge, die echter wel een lange spanne tijds van zich deed spreken: hij komt in de archivalia voor van 1440 tot 1499. Deze Jep Halvegge hanteerde in 1441 weliswaar een ander zegelstempel dan in 1449, maar dit laatste vinden we ook nog onder een oorkonde uit 1488, zodat er nauwelijks twijfel aan kan bestaan, dat het ruim een halve eeuw lang om een en dezelfde persoon ging. Bovendien werd hij in 1499 hoogbejaard genoemd. In een akte van 24-5-1440 (47) werd hij aangeduid als moeders zusterzoon van de broers Woldemar en Hans Evertsen Moltke. Helaas levert dit spoor ons niet de naam van zijn moeder op. Een aantal malen komen we Jep tegen als lid van een gericht. Hij bezegelde dan gesloten overeenkomsten of genomen beslissingen. Wellicht Jep (II) Halveggehing het met deze functie samen, dat hij al spoedig zijn oorspronkelijke (70,89,113,145) zegelstempel verving door een beter en fraaier. In deze hoedanigheid vinden we hem op 30-4-1457 (gecombineerd gericht van de „thry herred” de drie gouwen te Slangerup) (89), 19-3-1461 (gericht van de Bjæverskov gouw) (97), 6-12-1470 (landsgericht van Zeeland) (109), 6-5-1472 (idem; onder de leden van het gericht bevonden zich ook Peder Mogensen Ravensberg van Førslev en Peder Jens Halvegge van Vindinge) (113), 12 of 19-7-1480 (koninklijk gericht; daarbij ook Olof Halvegge) (123). Op 12-1-1485 (132) en 25-7-1488 (145) maakte hij deel uit van een scheidsgericht op koninklijk bevel, maar de laatste maal liet hij zich vertegenwoordigen door zijn zoon Evert. De akte van 1485 kreeg nog een koninklijke bekrachtiging op 15-9-1486 (140). Voorts vinden we hem op 24-5-1440 (47), 28-1-1449 (70), 18-10-1482 (127), 30-11-1482 (129) en 19-3-1485 (136) als medezegelend getuige van oorkonden. ![]() Zijn optreden in de gerichten van verschillende gouwen hing samen met zijn wisselende woonplaats. Terwijl het vaderlijk erfgoed te Førslev zijn zuster en zwager was toegevallen, had Jep blijkbaar enige moeite om een bevredigende vestiging te vinden. Op 13-12-1441 werd hij door Heer Jep Hemmings, vicaris van het Bartholomeus-altaar te Roskilde, beleend met twee erven te Uglestrup (Lyndby s., Voldborg h.), voor 3½ sk. plus 6 pond gerst per jaar (48). In 1457 woonde hij te Rårup (89) 4, in 1461 heette hij „van Gørslev” (Bjæverskov h.) (97), en vanaf 1470 tot de laatste oorkonde in 1499 was hij „van Sneslev”, en woonde hij dus weer vlakbij het stamhuis 5. De akte van 26-8-1499 (174) betreft de ondervraging van een aantal bejaarde streekgenoten omtrent het juiste verloop van een omstreden grens tussen kloostergoederen bij Herlufsholm (Skovklooster). Daarbij waren Jep Halvegge van Sneslev en ook Per Mogensen (Ravensberg) van Førslev. Tot slot vermelden we nog twee akten, waaruit blijkt dat Jep Halvegge erven in pand had. Bij de verkoop van het Espeskov-erf te Ørslev (Ringsted h.) op 1-7-1478 (120) bleek een deel van de jaarlijkse opbrengst aan Jep Halvegge toe te komen. Op 30-10-1482 verkocht de weduwe van Voldemar Moltke haar twee erven te Bøgebjerg en Atterup (Boeslunde s., Slagelse h.) aan Henrik Meinstrup (128). De koper nam op zich de hypotheek bij Jep Halvegge af te lossen. * * De laatste generatie. Jeps zoon Evert (II) is uit geen andere bron bekend, dan de boven reeds genoemde oorkonde van 25-7-1488 (145), waarin hij zijn vader vertegenwoordigde. Het ziet er naar uit, dat Evert gestorven is voor hij zich goed kon ontplooien. Volgens de literatuur had Evert een zuster Mette, de vrouw van Villum Sort. Deze Villum Sort of Svort (Willem Zwart), uit het geslacht Baden, was drost in Lille Næstved (Flakkebjerg h.) en werd op 28-1-1464 door de abt van het Skovklooster beleend met de voornaamste hoeve aldaar, tegen een jaarlijkse betaling van 2 lødige mark (100). Hij was toen nog ongehuwd, maar bedong dat de belening 4 Over de vraag welke plaats Rårup hier bedoeld werd, zijn de meningen verdeeld. Volgens H. Knudsen (o.c., p. 103-4) was het de landsby Rorup (Torup s., Strø h.), volgens Trap (o.c., bd. 5, p. 1000) betrof het het landgoed Rårup, thans Katrinebjerg (Sengeløse s., Lille h.). 5 Merk op, dat bijeenliggende plaatsen Førslev en Sneslev niet alleen in Flakkebjerg h., maar ook in Ringsted h. voorkomen. Vooral uit de beschrijving in (144) blijkt echter overtuigend, dat het om de plaatsen nabij Fuglebjerg gaat. niet alleen zijn eigen leven lang zou duren, maar ook gold voor de vrouw waarmee hij het eerst zou huwen. Wellicht was deze bepaling een factor bij aanstaande huwelijksonderhandelingen. Generation Anders Halvegge 1355 Jakob (I) (Jep Halffuege) (Iacobus Andreæ dictus Halwæggæ) i Førslev; væbner £ 1374 – 1408 1380 Evert (I) (Æward Halwæggæ) i Førslev; væbner £1418–27 … Johanne 1442 enke
Op 7-6-1480 werd de leenovereenkomst hernieuwd (122). Daarbij werd ook zijn vrouw Mette genoemd. De zin van het nieuwe contract was kennelijk, dat nu ook voortzetting van de belening voor zijn zoon bedongen werd. Villum werd overigens op dat moment aangeduid als wonend te Lekkende (Bårse h.). Mettes familienaam werd zoals gebruikelijk nooit genoemd. Dat zij een Halvegge was, is waarschijnlijk geconcludeerd uit het feit, dat Villum Sort in 1488 en later in Sneslev blijkt te wonen, het landgoed van Jep Halvegge. Jep zelf woonde daar trouwens in 1499 ook nog, waarschijnlijk (als hoogbejaarde) onder de hoede van zijn dochter. Zie ook hierboven (onder Naam en Wapen) de discussie over haar familiewapen. Villum Sort had op 10-4-1488 (144) en 7-4-1502 (178) zitting in het gericht van de Flakkebjerg gouw. Op 24-2-1489 (150) en 7-5-1508 (188) trad hij op als medezegelend getuige. Hij moet ca. 1510 overleden zijn. Van Villum en Mette zijn twee kinderen bekend: Hans Villumsen, die met de hoeve in Lille Næstved beleend werd, en Karine Villumsdr. De laatste huwde Jens Jepsen Grubbe (Sparre) en kreeg vier kinderen: Søren, Villum, Sophia en Anna Grubbe. Zie over Villum Sort en zijn familie verder Helms, o.c., p. 424-7. * * * ![]() 11 Het geslacht Væbner.De oudste generaties. DAÅ (1946) begint het geslacht Væbner met Peder Terkilsen te Føvling (Tyrsting h.), die zich in 1489 door zijn zegel als lid van dit geslacht manifesteerde (149), maar reeds in 1482 als Peder Terkilsen van Føvling voorkwam (130, 131). DAÅ veronderstelt, dat Peders vader Terkil het landgoed Føvling verwierf als huwelijksgift uit het geslacht Hval, dat er in 1455 nog de scepter zwaaide. In werkelijkheid moeten de Væbners toen reeds langer in Føvling geleefd hebben. Peder Terkilsen zelf verkreeg reeds op 19-10-1458, als beloning voor trouwe dienst aan vorst en vaderland, van koning Christiern I de Buskemark, een stuk woeste grond te Føvling, in eigendom (91, 107). Het ging hier kennelijk om een gebiedsuitbreiding van het familiegoed. Terkel of Torkil was een weinig voorkomende naam, die door de historici als karakteristiek voor het geslacht Væbner beschouwd wordt (Barner, o.c., p. 15; PHT 1882, p. 53). Er kan dan ook weinig twijfel over bestaan, dat Torkil Pedersen te Føvling, die op 5-6-1432 de hoeve Donnerup in Åle (Vrads h.) verkocht (36, 176), de vader van Peder Terkilsen was. Torlof Jensen Hval, die in 1455 „af Føgligh” genoemd werd (85), manifesteerde zich rond die tijd (144862) verscheidene malen, steeds in Ålborg en de Vendsyssel. Dat maakt Føvling als woonplaats onwaarschijnlijk. Dat hij in 1455 eenmaal in het gericht van de Vrads gouw optrad, en toen Føvling als residentie opgaf, moet een incidentele zaak geweest zijn. Terkil Pedersen werd nog genoemd in 1453 (79). Het betrof erven in Ring en Brædstrup, die zijn voorvaderen aan het Vorklooster gegeven hadden, maar die hijzelf nu van het klooster in pacht had. En dit brengt ons rechtstreeks naar een oorkonde van 1344 (2), waarin een Terkil Pedersen de bedoelde goederen aan het klooster overdroeg. Deze Terkil (I) moet dus wel de grootvader van de eerstbedoelde Terkil (II) geweest zijn. Brædstrup, Ring en Føvling, en het direct te noemen Grædstrup, zijn vlak bijeen liggende plaatsen in de Tyrsting gouw. We komen de oudste Terkil nog enkele malen tegen: Van 1346 dateert een pandbrief van Terkil Pedersen te Grædstrup aan het Ømklooster (Tyrsting h.) betreffende een erf in Øster Snede (Nørvang h.) (6). In 1376 droeg Terkil Pedersen een stukje grond te Skærup (Holmans h.) over (volgens DAÅ 1946; de bron zelf heb ik niet gevonden), en op 23-9-1391 was er sprake van de verdeling van zijn nalatenschap tussen zijn weduwe Elysabet (hertrouwd met Wythy Wythys) en de niet met name genoemde kinderen (15). Een raadsel wordt nog gevormd door ene Jens Henriksen van „Feulingh”, die in 1439 goederen in Ring en Brædstrup van het Vorklooster in pacht had (46) en in 1449 een hoeve in Langballe (Vinding s., Tyrsting h.) aanvaardde (73), waar later, in 1470, Peder Terkilsen mee te maken bleek te hebben (110). In 1453 was er sprake van Jens Henriksens erfgenamen (80). In de index van ÆDA (o.c., bd. I) wordt Jens Henriksen bij het geslacht Væbner gerekend. Verder onderzoek levert slechts een Jens Henriksen „af Føllingæ” op, die in de periode 143047 actief was te Halmstad (Halland) en omgeving, waardoor gesuggereerd wordt, dat hij uit het nabijgelegen Fyllinge (Tøndersjø h.) kwam (32, 53, 55, 60). Ik laat deze kwestie verder buiten beschouwing. * * Peder Terkilsen. Peder was een man van aanzien. Vele malen trad hij op als lid van een gericht: 1474 (115), 1488 (146, 147), 1489 (149, 151), 1494 (167), 1497 (171). Hij werd meestal aangeduid als „van Føvling”, maar bezat ook vele andere erven. Het is niet onmogelijk dat hij deze welstand dankte aan de koninklijke gunst, waarvan we hierboven een blijk zagen. Waaruit die, blijkbaar reeds op jeugdige leeftijd volbrachte, diensten aan vorst en vaderland bestaan hebben, is helaas onbekend, maar ze zullen wel van militaire aard geweest zijn. In 1466 verklaarde hij met de Kempisgård en Kempislund, kloostergoederen van het Mariagerklooster (Onsild h.), beleend te zijn (102), en uit 1482 stammen twee oorkonden, dat hij van Peder Madsen een erf in Stenderup (Hatting h.) aanvaardde (het is niet duidelijk of de oorkonden op hetzelfde erf of op verschillende erven betrekking hebben) (130, 131). Op 6-3-1491 werd een verklaring afgelegd in een grenskwestie betreffende Peders erf in Barrit (Bjerre h.), bewoond door Søren Madsen (156). Een Anders Skrædder, dienaar te Føvling, maakte op 5-6-1470 deel uit van het gericht van de Tyrsting gouw (108), en verkreeg een getuigenverklaring van het gericht van de Vrads gouw op 2-3-1472 (112). Zelfs Peders dienaren waren dus kennelijk niet de eersten de besten ! Peder Terkilsen (149,152) ![]() Op 3-6-1490 werd Peder Terkilsen door Thomas Krabbe van de Herpinggård (Vandfuld h.) gemachtigd om diens belangen waar te nemen (153), en op 19-5-1490 trad hij op namens de erfgenamen van Owe Skale te Ørum (Bjerre h.) inzake hun rechten op goederen in Løsning (Hatting h.) en Stubberup (Hatting h.) (152). In 1491 sloot hij een overeenkomst met het Vorklooster (Tyrsting h.) over de voldoening in natura van een rente die het klooster hem verschuldigd was (159), van 1496 dateert een zoenbrief op zijn naam, waarschijnlijk over grenskwesties in de Tyrsting gouw (169), en in 1504 droeg hij aan het Vorklooster een erf in Grættrup (Nørre Snede s., Vrads h.) over (181). In een oorkonde van 30-3-1549 (260) is sprake van een eigendomsbrief van 1502, waarbij Peder Terkilsen het Ørum-bos verwierf. In 1512 was het in het bezit van Anne Owesdr. Hiermee moesten de rechten van Peders zoon Svend op het bos aangetoond worden. Onder enig voorbehoud concluderen we daaruit dat Anne, dochter van Owe Skale, inderdaad Peders weduwe was, zoals in DAÅ (1946) gesteld wordt. Terwijl Peder dus blijkbaar in 1502 nog leefde, in 1503 was er nog slechts sprake van zijn erfgenamen (180), evenals in 1506 (185). Op 4-2-1510 vond een scheiding van zijn nalatenschap plaats (191). Het aandeel van zijn zoon Owe Pedersen werd afgescheiden van het gezamenlijke erfdeel van de andere zes kinderen: Gerlof, Terkil, Svend, Karine ( * * Peders kinderen. Van de zeven kinderen, die bij de scheiding van Peder Terkilsens nalatenschap betrokken waren, vinden we alleen Terkil en Svend in belangrijke mate terug. Van Gerlof vernemen we helemaal niets meer. Hij werd bij de boedelscheiding aangeduid als mester Gerlof. In 1503 werden de niet met name genoemde erfgenamen van Peder Terkilsen bevestigd in het bezit van de Høvelskjerberg en de Høvelskjerfang uit de nalatenschap van Owe Skale (180). Tot dit bosgebied behoorde ook de Toltingkrogt, maar twee stukken grond op de Hyrup Lysse waren er nadrukkelijk van uitgesloten. Owe Skale had dit bezit in 1468 door verjaring verworven (105). Een dagvaarding door de erven jegens Mandrup Holk van 2-3-1506 (185) en een getuigenis ten behoeve van Terkil Pedersen van 29-6-1510 (192) wijzen op voortdurende grensproblemen rond dit bezit. Zie ook hierna bij Svend Pedersen. De zoon Owe wordt alleen enkele malen (1533, 1542) genoemd in de kwestie van de Toltingkrogt (zie onder Svend). Kirstin komt nog één keer voor in een oorkonde van 26-7-1529 (226), waaruit blijkt dat ze zich enkele malen voor het gericht van de Hatting gouw had laten vertegenwoordigen door Søren Andersen te Hyrup (Bjerre h.). Ze woonde zelf in Ørum (Bjerre h.). ![]() Karine Pedersdr. (191) Terkil (III) Pedersen (191) Kirstin Pedersdr. (191) Svend Pedersen (194) Anna zou volgens DAÅ (1946) een zoon Peder Madsen te Fovrfelt (Skast h.) gehad hebben, en dus blijkbaar met een Mads gehuwd zijn. De bron hiervan heb ik niet gevonden. Karine verkocht op 9-2-1513 een rente uit een nalatenschap van haar man Claus Strangesen (Bild) (194). Deze laatste moet dus tussen 1510 en 1513 gestorven zijn. Haar broer Svend was voogd over de kinderen. Bij oorkonde van 6-4-1522 verkocht Karine, te Nørholm (Ø. Horne h.), verscheidene goederen aan Mogen Gøye. Het betrof een erf in Søndervrå, twee in Stenvad, een in Em, en twee erven in Vollerup, alle in de naaste omgeving van Vrå (Børglum h.), en tezamen aangeduid als de Torbernefeldsgoederen (204). Op 23-11-1524 vond er een goederenruil plaats tussen Karine en haar zoons Niels en Torkil Clausen en verdere (minderjarige) kinderen enerzijds, en de Kroon anderzijds. Het betrof goederen in de omgeving van Nørholm (Ø. Horne h.) (207). * * Terkil (III) Pedersen en zijn kinderen. Terkil Pedersen liet een halve eeuw lang van zich spreken, te beginnen met de kwestie rond de Toltingkrogt (zie boven, en bij Svend Pedersen hierna). In een scheidsuitspraak van 30-10-1527 werd bepaald, dat o.a. Terkil Pedersen te Føvling gebruik mocht maken van een weg over particulier terrein bij Trudsholm (Gerlev h.) (223). In 1532 maakte hij drie maal zelf deel uit van een scheidsgericht, waarvan twee keer samen met zijn broer Svend (234, 235, 236). In een sententie van 1537 werden zijn aanspraken op het erf Kalstrup (Staby s., Ulfborg h.), dat hij 29 jaar eerder gekocht had, terecht bevonden (volgens Trap, o.c., bd. 22: Staby s.; bron onbekend) In zijn eigen omgeving, in Føvling Mark, had hij een stuk weiland in pacht van de kerk. Het werd hem op 13-6-1542 echter in eigendom overgedragen (246). En op 4-3-1546 droeg hij goederen te Tulstrup, Sorring en Skellerup (alle in Gjern h.) over aan de Kroon, in ruil voor goederen in de Tyrsting gouw (255). Op 23-10-1553 werd aan Terkil Pedersen te Føvling, bij uitspraak van het koninklijk gericht een stuk grond in Hårup (Føvling s., Tyrsting h.) toegewezen, dat door Lage Brock ten onrechte opgeëist en in gebruik genomen was (262, 263).
Dit was de laatste maal, dat Terkil zich in leven manifesteerde. Een jaar later, op 9-8-1564, kocht zijn weduwe, Brigitte Josipsdr. Rekhals, van de Kroon een aantal renten uit allerlei goederen (283). Volgens DAÅ (1946) leefde Brigitte nog in 1567. Eveneens volgens DAÅ moet Terkil niet alleen in Føvling, maar ook in Søndervang (Hind h.), Søndersthoved (Nørvang h.) en Abildgård (Tørrild h.) geleefd hebben. De bron van deze informatie is mij onbekend, en ik twijfel aan de juistheid. Terkils enige zoon Peder vind ik de eerste maal in een familiaire brief van Karen Gyldenstierne te Bygholm (Hatting h.) aan Birgitte Bølle te Peder Terkilsen (319) Gunderslevholm (Flakkebjerg h., Zeeland) van 3-10-1574, waarin de laatste nieuwtjes verteld werden. Daarbij was ook het aanstaande huwelijk van Peder Terkilsen met Else Juul (301). Volgens Trap (o.c., bd. 21: Brande s.) verwierf Peder door dit huwelijk het erf Brandholm (Brande s., Nørvang h.), dat later vererfde op zijn neef Claus Strangesen († 1596). Een oorkonde van 28-12-1579 bestendigde zijn aanspraken op de tienden van het Føvling kerspel, die zijn vader in 1563 verworven had (281, 318). Bij de huldiging van kroonprins Christiern IV door de edelen op 13-7-1580 was Peder een van de deelnemers (319). Een jaar later, 15-7-1581, stond zijn naam in een oproep waarmee koning Frederik II zijn edelen mobiliseerde (320). In een brief van 13-9-1583 van de koning aan de bisschop van Århus, kreeg de laatste opdracht bij de keuze van een priester in het Føvling kerspel gevolg te geven aan de voorkeur van Peder Terkilsen, die als meest gezaghebbend man van het kerspel gezien werd (325). Volgens DAÅ (1946) is Peder op 15-8-1587 begraven, als laatste man van zijn geslacht. In een scheiding van 1-2-1589 van de nalatenschap van Axel Juell en Kirsten Lunge werd hun dochter aangeduid als Ellitse Juell op Væbnerholm, Peder Terkilsens weduwe (331). Volgens DAÅ (1946) was Ellitse op 22-6-1550 te Villestrup (Hindsted h.) geboren. We vinden haar nog in een koninklijke uitnodiging van 28-11-1592 voor het feest, dat ter gelegenheid van het huwelijk van hofmaarschalk Predbiørn Bild gegeven zou worden (337), en in een brief van 10-12-1592, waarin alle edellieden van Noord-Jutland werden aangespoord hun bijdrage te betalen voor de bouw van een gerechtsgebouw in Viborg. Ellitse Juell van Væbnerholm was goed voor 5 dlr. (338). In 1610 werden haar aanspraken op het boven reeds genoemde erf Kalstrup erkend, nadat ze het jaar tevoren de daarop rustende schuld had afgelost (volgens Trap, alsvoren). Het is opvallend, dat we de naam Væbnerholm voor het goed in Føvling pas voor het eerst ontmoeten vlak na het overlijden van de laatste mannelijke Væbner. Dit zal wel geen toeval zijn: wellicht heeft hier een nadrukkelijke naamgeving plaats gevonden met de bedoeling de herinnering aan het geslacht te laten voortbestaan. Peders zuster Maren Terkilsdr. kennen we slechts van haar grafsteen in de kerk te Stadil (Hind h.), helaas met onleesbare overlijdensdatum. Haar man was Erik Vognsen te Søndervang (Hind h.) (369). Een verkeerde interpretatie van de wapens op deze grafsteen moet ertoe geleid hebben, dat sommige wapenboeken het geslacht Vognsen tooien met het Væbner-wapen. Ongetwijfeld hangt hiermee ook samen, dat DAÅ (1946) Peder een zuster Edel heeft toegedicht. Aardig is het citaat uit een wapenboek, dat DAÅ als (enige) bron geeft: Haar naam en wapen heb ik gezien, ingenaaid op een doek, bij boerenvolk in Holmsland, een mijl van Søndervang. In werkelijkheid ging het om Marens dochter, Edel Vognsen. Deze huwde met Godske Krabbe, en zo kwam Væbnerholm in het bezit van de familie Krabbe (357, 361). (Zie PHT, 1882, p. 52). Het landgoed bestaat nog steeds en heet nu Våbensholm. Het landgoed Søndervang is volgens Trap (o.c., bd. 22: Stadil s.) van Josip Rekhals via Terkil Pedersen vererfd op Erik Vognsen. Peders andere zuster Inger Terkilsdr., weduwe van Envold Lauritsen Udsen te Søndersthoved (Nørvang h.), vinden we op 10-7-1578 (314) en 23-9-1578 (316) in verband met een ruiling van bezittingen. Op 4-7-1582 kreeg ze toestemming om de kopertienden van het Give-kerspel (Nørvang h.) te betalen in geld in plaats van in natura (321). ![]() Er is wellicht nog een derde zuster geweest, Christence. Ik kom daar in Inger Terkilsdr. (316) het volgende op terug. * * Svend Pedersen en zijn kinderen. Svend Pedersen kwam na de boedelscheiding van 1510 voor het eerst in de openbaarheid, toen hij op 9-2-1513 als voogd over de kinderen van zijn zuster Karine genoemd werd (194). In 1525 werd hij, met zijn moeder, door de bisschop van Århus beleend met een erf in Ørum (Bjerre h.) (214). Op 20-5-1527 droeg hij grond in Daugårds Mark (Hatting h.) over aan Mogens Gøye (220). In 1532 maakte hij twee keer deel uit van een scheidsgericht, samen met zijn broer Terkil (235, 236). In 1545 getuigde hij, samen met Hans Stygge, ![]() Svend Pedersen (194) Id. (259) ambtman te Silkeborg, in een eigendomsgeschil tussen derden (254). Op 30-3-1549 bewees Svend Pedersen te Ørum voor het landsgericht te Viborg, met behulp van de verwervingsbrieven van zijn ouders, zijn rechten op het Ørum-bos in een conflict met het St. Hansklooster te Horsens (260). Een koninklijke leenbrief van 1-11-1558 van goederen in Boldrup (Gislum h.) en Torup Mark (Rinds h.) voor Hans Stygge, ambtman te Dronningborg, noemt Svend Pedersen als de vorige gebruiker (269). Op 15-9-1533 deed een bisschoppelijk gerecht uitspraak in een ruzie tussen Svend Pedersen te Ørum en Mandrup Holk te Barritskov over de eigendomsgrenzen in de Hyrup Lysse. Svend had een knecht van Mandrup, bezig om een boom op betwist gebied om te hakken, doodgeslagen. Het gericht besliste, dat de boom stond op het gebied van de Toltinggård, die Mandrup Holk toebehoorde (237). Tot het gericht behoorde ook Otto Gyldenstjerne, ambtman van het koninklijk slot Bygholm, die kennelijk de nederlaag van Svend aangreep om in hetzelfde jaar een uitspraak te verkrijgen, dat het bos Toltingkrogt deel uitmaakte van de twee uitgezonderde stukken grond (zie boven), en dus aan de Kroon behoorde. Negen jaar later werd dit rechtgezet. Svend, Terkil en Owe Pedersen beschuldigden Otto Gyldenstjerne, dat hij de Toltingkrogt in de Hyrup Lysse onbevoegd liet omhakken, en kregen op 18-6-1542 gelijk van het koninklijk gericht (248). Daarmee was de kous niet af. Op 15-1-1558 diende Peter Skriver namens Svend Pedersen een klacht in over ongeoorloofd gebruik van grond in de Hyrup Lysse (267) en op 12-2-1560 daagden Svend en Terkil Pedersen enkele grondeigenaren voor het gericht wegens het onrechtmatig plaatsen van grensmerken op hun gebied (272). Bij de uitvoerige behandeling van de zaak op 27-4-1560 voor het landsgericht in Viborg bleek, dat er een koninklijke brief van 19-2-1526 (217) bestond, die in afwachting van een definitieve grensbepaling het plaatsen van grensmerken verbood. Die definitieve grensbepaling was nimmer tot stand gekomen, omdat de eigendomsbrief zoek was. Ook nu was die eigendomsbrief nog niet boven water gekomen, zodat het gericht niet anders kon doen, dan op grond van de koninklijke brief de plaatsing der grensmerken onwettig verklaren (273). Korte tijd later, 21-6-1560, werd een der belanghebbenden nog eens afzonderlijk gedagvaard, om onbekende redenen (274). Blijkbaar wilde de overheid nu toch een streep onder de zaak zetten. De Toltingkrogt werd aan de Kroon toegewezen, en Svend en Terkil Pedersen moesten een vergoeding betalen voor het gebruik dat ze er van gemaakt hadden. Hierover troffen ze een schikking met Holger Rosenkrantz, de nieuwe ambtman van het Slot Bygholm, die op 4-7-1561 door de koning werd bevestigd (275). Volgens DAÅ (1946) was Svend gehuwd met Mette Glob, dochter van Mogens Pedersen Glob op de Vesløsgård (Han h. en Kirsten Friis, die in 1567 nog leefde. De bron hiervan heb ik niet gevonden. Zijn zoon Peder Svendsen vertegenwoordigde in 1560 zijn oom Terkil voor het landsgericht van Noord-Jutland (273, 274). Bij koninklijke brief van 5-7-1561 werd hij aangewezen als lid van een arbitragecommissie, die 15-9-1561 zou moeten samenkomen in Ribe inzake een eigendomsconflict in Rødding (Frøs h.) (276). Op 30-8-1563 leende Peder aan de Kroon een bedrag van 132 lood zilver, waarvoor hij de tienden van het Hedensted kerspel (Hatting h.) ontving (282). Hij sneuvelde in de slag bij Svarterå op 20-10-1565 (287). Op 9-9-1589 kreeg de koninklijke rentmeester opdracht om 80 daalder uit te betalen aan Jens Mogensen, zijnde geld dat zijn vader (Mogens Mogensen Harbou) en oom (moeders broeder Peder Svendsen) in de oorlog aan koning Frederik II hadden geleend (332). Dit klopt met de mededeling in DAÅ (1946), dat een zuster Kirsten Svendsdr. gehuwd was met Mogens Mogensen Harbou op de Sindinggård (Hammerum h.). Volgens Trap (o.c., bd. 21: Ørum s.) is de Ørumgård langs deze weg in het bezit van de familie Harbou, later van de familie Bille, gekomen. Kirsten, weduwe van Mogens Mogensen, werd op 11-6-1572 door Anne Lykke, weduwe van Otte Krumpen, aangeklaagd voor het koninklijk gericht te Kopenhagen, omdat ze op Annes grond had laten hooien. De zaak werd verwezen naar het landsgericht in Viborg (296). Een jaar later, op 21-5-1573, daagde Kirsten op haar beurt Anne Lykke voor het gerecht in Dronningborg, in een conflict over het bezit van waarschijnlijk dezelfde grond in Randrup (Middelsom h.) (298). De reeds enkele malen genoemde Hans Stygge op de Holbækgård (Rovgsø h.) was gehuwd met ene Christence († 1556), die het Væbner-wapen voerde (volgens hun grafsteen in Holbæk, 264). DAÅ (1946) beschouwt deze Christence als een tweede zuster van Peder Svendsen, en zegt voorts dat Hans Stygge op 31-10-1568 overleden is. Daarnaast kent DAÅ een Christence Terkilsdr. Væbner, gehuwd met Thomas Stygge te Frøstrup (V. Han h.), eveneens drost van Dronningborg, overleden in 1577 en begraven in Lunde. Volgens DAÅ (1921: Stygge) waren Hans en Thomas achterneven in dezelfde generatie, achterkleinkinderen van dezelfde overgrootvader, was tegelijkertijd (ca. 1551) de één commandant (høvedsmand), de ander drost (foged) van Dronningborg, de eerste gehuwd met Christence Svensdr., de tweede met Christence Pedersdr. (!) Væbner. Volgens Barner (o.c., p. 238) was daarentegen Hans Stygge een generatie ouder dan Thomas, huwde de eerste met Christence Svendsdr., en de ander met Christence Terkilsdr. Væbner. Mede omdat het onwaarschijnlijk is, dat Svend twee verschillende dochters Kirsten en Christence had namen die wezenlijk identiek zijn kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat hier persoonsverwisselingen hebben plaats gevonden, waarbij wellicht een verschrijving van één auteur doorwerkte bij latere schrijvers. Bij gebrek aan verdere authentieke informatie beperk ik me voorshands tot hetgeen door de Hans Stygge en Christence op hun grafsteen grafsteen te Holbæk bevestigd wordt. ![]() * * * Generation: 1290 (Peder) 1320Terkil Pedersen (I) te Gestrup £ 1344-76 enke £ 1391 1355(Peder) 1390Terkil Pedersen (II) i Føvling £ 1432-53 1425Peder Terkilsen i Føvling £ 1458-1502 † 1502/03 … Anna Skale £ -1525; dr. af Owe Skale 1460-80 Owe Gerlofi Føvling £ 1510 £ 1510-42 Terkil SvendKarineKerstineAnnei Føvling i Ørum i Nørholm i Ørum …£ 1510-63 £ 1510-61 £ 1510-24 £ 1510-29 Mads ? † 1563/64…… …Mette Glob Clavs StrangesenBrigitte dr. af MogensBild £ -1567 Pedersen Glob † 1510/13 dr. af Josipog Kirsten Friis Rekhals ? ChristenceIngerMaren¬ Holbæk 1556 £ 1578-82 (enke) ¬ Stadil … …… Hans Stygge Envold LavritsenErik Vognsen Foged iUdsen i Søndervang Dronningborgi Søndersthoved ¬ Holbæk31-10-1568 Peder Peder Kirsteni Føvling £ 1561-65 … £ 1574-87‡ SvarteråMogens Mogensen… 1574 20-10-1565 Harbou Ellitze Juel i Sindinggård i Væbnerholm (1592) * Villestrup 22-6-1550 dr. af Axel Juel og Kirsten Lunge ![]() Amager Het jongere geslacht Halvegge.De herkomst. Volgens DAÅ (1946) was Jens Olafs van afkomst een Væbner, maar verkoos hij (resp. zijn nageslacht) om enigerlei reden als familienaam de naam van zijn moeder (Halvegge). Deze opvatting, die ongetwijfeld gebaseerd is op de overweging dat Jens het geslachtswapen van de Væbners voerde, lijkt me echter allerminst vanzelfsprekend, en is een korte discussie waard, zeker nu we gezien hebben dat de betrokkenen consequent een distinctief in hun wapen aanbrachten om zich nadrukkelijk te onderscheiden van de Væbner-familie. Er zijn theoretisch vier mogelijkheden:
Er van uitgaande dat de eenvoudigste oplossing de meest waarschijnlijke is, acht ik de volgorde van waarschijnlijkheid: c - b - a, zodat ik aanneem dat Olaf een Halvegge was, in het midden latend of zijn vrouw misschien een „Væbner” was. De wijze, waarop Olaf met de familie Halvegge verbonden was, is dan vrij voor de hand liggend, als men let op de naamgeving van zijn kleinkinderen. Jens Olafs had vier zoons (in onbekende volgorde): Anders, Olaf, Awe en Peter. Voor vernoeming kwamen in de eerste plaats de beide grootvaders in aanmerking: Olaf en Awe Steegh. De overblijvende namen Anders en Peter moeten aan de voorgaande generatie ontleend zijn. Onderstaande kwartierstaat leidt dan tot de veronderstelling, dat òf Olafs vader, òf zijn schoonvader Anders geheten heeft. In het licht van de voorgaande beschouwing dringt zich dan meteen Anders, de vader van Jep Halvegge, aan onze aandacht op, waarna het geheel als een legpuzzel in elkaar past (zie onderstaand schema). Deze afweging van waarschijnlijkheden levert geen strikt bewijs op van Olafs afkomst. Eén ding is echter duidelijk: de gewoonte in de literatuur om zijn nakomelingen met de naam Væbner aan te duiden, is in ieder geval misplaatst. Zelfs als mogelijkheid (a) de waarheid zou zijn, moet men bedenken dat Olaf in de 14e eeuw leefde, terwijl de naam Væbner indien al ooit gebruikt op zijn vroegst in de 16e eeuw ontstaan is, in een andere familiestam, lang nadat Olafs nakomelingen zichzelf de naam Halvegge aangemeten hadden. ![]() (De dunne lijnen met pijl tonen de vernoemingen) * * Jens Olafs. In de oorkonden komt Jens Olafs, of Joannes Olaui, de eerste maal voor op 29-4-1416. Hij had toen zitting in het landsgericht van Zeeland, en werd provisor claustri sanctimonialium in Gabenø, bewindvoerder van het nonnenklooster in Gavnø, genoemd (22). Het in 1403 gestichte dominikaner klooster te Gavnø (Vejlø s., Hammer h.) was een bisschoppelijk leen. De daarmee beleende bewindvoeder trok er de inkomsten uit, maar was ook verantwoordelijk voor het levensonderhoud van de nonnen (Trap, o.c., bd. 9: Vejlø s.). Waarschijnlijk was Jens Olafs de eerste leenman. Nadien vinden we hem alleen in zijn hoedanigheid als schoonzoon van Kirstine Pedersdr., weduwe van Awe Steegh. Deze weduwe had drie kinderen: de priester Peter Steegh, en dochters Mette ( ![]() Op 18-5-1429 verkochten ze een erf te Køge aan koning Erik (29). Het stadsgericht van Køge bekrachtigde dit op 28-7-1429 (30). Peter Steegh, kanunnik in Roskilde, maakte op 15-7-1421 zijn testament (27). Daaruit blijkt, dat hij tezamen met zijn moeder een altaar gesticht had in de Mariakapel in de domkerk van Roskilde. Het altaar zou gewijd worden aan de apostel Bartholomeus. Hij vermaakte zijn bezittingen, afgezien van enkele legaten, geheel aan dit altaar. Daar Conrad Massow wel, maar Jens Olafs niet genoemd werd, bestaat de indruk, dat Helena op dat moment niet gehuwd was. Peter overleefde blijkbaar zijn ziekte van 1421 tien jaar. Op 17-7-1431 was het testament nog steeds niet in werking getreden. Op die datum stichtten zij een „eeuwig vicarie”, verbonden aan hetzelfde altaar, en schonken daartoe de goederen, die Awe Steegh hen had nagelaten. De vicarissen zouden worden aangewezen door het kapittel op voordracht van de familie. De eerste was de priester Jakob Hemmings. Helena was in deze oorkonde de weduwe van Jens Olafs (34). Jens moet dus tussen juli 1429 en juli 1431 overleden zijn. Peter Steegh is volgens het Liber Daticus Roskildensis op 19-7-1431 gestorven (35), zijn moeder op 14-3-1433 (37). In de anniversarieliste van 1458, 1459 en 1461 van het kapittel komen telkenmale posten van 2 sol. gros. ten name van Peter Steegh en Christine Steegh voor (93, 95, 98). Bovenstaande beschouwing is allerminst overtuigend. De plotselinge sprong van 15-7-1421 naar 17-7-1431 is verdacht. In de gedrukte versie van het Liber Daticus (35) staat als sterfdatum: 19.VII.1421 (rettere 1431). De aanwijzing dat Helena Steegh in 1421 niet gehuwd was, zou een eerder huwelijk van Jens Olafs nodig maken, gezien de leeftijd van zijn kinderen. ![]() Dit alles maakt aannemelijk dat, evenals het Liber Daticus, ook het testament een verkeerd jaartal noemt, en dat alles zich in juli 1431 heeft afgespeeld. Beide bronnen stammen uit dezelfde tijd en kring (het kapittel van Roskilde) en zijn wellicht in eerste versie door dezelfde hand geschreven. Jakob Hemmings werd nog in 1441 als vicaris genoemd. Toen beleende hij Jep Halvegge (van de oude stam !) met een van de erven die het kapitaal van het vicarie uitmaakten (48). Sprekend over de priester Jakob Hemmings: we vragen ons af, wie Birgit Hemmingsdr., weduwe van Grib Jensen (Jernskæg) van Bråde, was, die op 23-6-1482 haar erf in Skippinge (Vallekilde s., Skippinge h.) verkocht en met de gewapende arm (met strik !) zegelde (126). Het is dus waarschijnlijk, dat ook Jakob Hemmings tot de familie behoorde, en dat het vicarie echt bedoeld was om aan priesters binnen de eigen familie een inkomen te verschaffen, een niet ongebruikelijke situatie. Grib Jensen was reeds leenman van Bråde (thans Holsteinborg, Flakkebjerg h.) in 1436, en ook Jens Olaf's zoon Peter woonde te Bråde en te Vallekilde, hetgeen eveneens op een familierelatie wijst (Trap, o.c., bd. 8: Holsteinborg s.). ![]() Op 8-6-1435 maakte de bisschop van Roskilde bekend, dat de Birgit Hemmingsdr. (126) wijding van het altaar, tot dan toe herdacht op de derde zondag na pinksteren, in het vervolg gevierd zou worden op de zondag na 9 juli. Voor dat jaar betekende dat dus een verschuiving van 26 juni naar 15 juli (38). Enkele weken later, op 22-7-1435, bevestigde de bisschop nog eens zijn instemming met het vicarie en de voorwaarden dienaangaande (39). Pas in 1456 werd het Bartholomeus-altaar weer genoemd. In een pauselijke oorkonde van 28-9-1456 bleek Olaf Jensen (Halvegge), kanunnik te Roskilde, vicaris van het altaar te zijn. Hij ruilde het toen met Joachim Grubbe, die dus nadien de vicaris was (88). We komen daar bij Olaf Jensen nader op terug. Een halve eeuw later, in 1506, bleek het altaar nog steeds een rol te spelen in de familie (184). Toen bij de reformatie in 1536 de domkerk in Lutherse handen overging, werd de vicarie opgeheven en werden de bijbehorende goederen en fondsen teruggegeven aan de erfgenamen van de stichters. De Mariakapel, die in 1310 gebouwd was, werd in 1774 afgebroken om plaats te maken voor een nog veel grotere kapel met het graf van koning Frederik V. De ornamenten van de oude kapel, en dus waarschijnlijk ook van het Bartholomeus-altaar, zijn vervreemd op een grote veiling van kerkgoederen in 1806. De Mariakapel, gelegen als een uitbouw midden aan de zuidzijde van de kerk, was 10 m lang en 8,5 m breed. De zijwanden waren 7,8 m hoog (vanaf de kerkvloer), de vloer van de kapel was echter verhoogd en werd via zes treden vanuit het schip bereikt door een 2,8 m brede poort met arcade. De kapel was gedekt met een beschilderd gewelf. (Danmarks Kirker, IV.3, p. 231-233.) Tot in de 17e eeuw waren nakomelingen vicaris in de domkerk van Roskilde, of hadden anderszins een sterke band met die kerk. Ik kom daar later op terug. * * Anders Jensen. Anders Jensen te Havelse (Ølsted s., Strø h.) komt voor het eerst voor in een akte van 17-6-1431 (33). Daarin accepteerde de bisschop van Roskilde de rekening en verantwoording, die Anders had afgelegd over zijn beheer van de bisschoppelijke Selsø-gård (Horns h.). Op 21-5-1436 werd hij door priorin en convent van het St. Agnes-klooster te Roskilde gekozen tot bewindvoerder (40). In vele volgende akten trad hij ambtshalve als zodanig op. Driemaal vinden we een goedkeuring van zijn gevoerde beheer. Op 30-1-1438 (42) en 24-6-1439 (45) werden hij en zijn vrouw bedankt door priorin en convent; op 22-8-1448 (62) bedankte de bisschop hem. Blijkbaar was er inmiddels iets veranderd in de hiërarchische verhoudingen. Op 22-8-1436 werd aan Anders Jensen door Gyøde Andersen een stuk land in Herslev (Sømme h.) overgedragen (41). De toevoeging „voor het zieleheil van de schenker” maakt duidelijk, dat Anders ambtshalve optrad voor het klooster. Maar op 8-5-1448 kocht hij de blote eigendom van een huis in Roskilde (61), nadat hij reeds op 9-3-1446 de bijbehorende pandbrief verworven had (56). Dat het nu een privé-transactie betrof blijkt uit de navolgende akte: Op 5-3-1449 schonk Anders zelf hetzelfde erf aan de vicaris van het Maria Magdalena-altaar in de domkerk te Roskilde, waarvoor deze dan wekelijks een mis moest opdragen voor het zieleheil van Anders en zijn vrouw (71). In andere gevallen is het helaas niet duidelijk, of hij als privépersoon of ambtshalve optrad: Op 17-4-1450 aanvaardde hij een huis in Kopenhagen (74, 75), en op 13-9-1454 ontving hij vier erven in verschillende plaatsen in pand van Axel Lawes (83). Het feit, dat deze oorkonden niet uit het kloosterarchief komen, maakt het het meest waarschijnlijk dat het privétransacties waren. Anders' vrouw Cecilie Kragh, dochter van Peter Kragh van Bringstrup (Alsted h.), schonk op 10-7-1438 een erf te Sværdborg (Hammer h.) aan het St. Agnes-klooster, waarvoor drie maal per jaar plechtigheden moesten plaats vinden voor het zieleheil van Cecilia, haar vorige man Niels Ingvarsen (Griis) en haar zoon Erik Nielsen (43). Twee weken later, 25-7-1438, ontvingen ze zelf van het klooster goederen in Sønder Jernløse (Merløse h.), waarvoor ze 12 pond koren per jaar moesten betalen (44). Dit was blijkbaar erg voordelig, want het werd nadrukkelijk als een gunst voorgesteld, wegens de eerdere schenking. Het is overigens niet duidelijk, wat de zin was van deze pacht. Het was zeker niet voor eigen bewoning, want gedurende zijn hele leven werd Anders aangeduid als wonend te Havelse. In de oorkonde (44) staat terloops, dat Cecilie voor haar huwelijk in Næsby woonde. Cecilie heeft ook een altaar gesticht. Op 3-5-1442 schonk ze het St. Clara-klooster te Roskilde twee erven in Thorkildstrup (Voldborg h.), op voorwaarde dat een deel van de opbrengst werd doorgegeven aan het door haar gestichte St. Anne-altaar in het Gråbrødre-klooster, waar ze haar laatste rustplaats gekozen had (49). Op 4-3-1444 verbond broeder Mathes Henriks, gardiaan in het Gråbrødre-klooster, zich om dagelijks een mis te lezen bij het St. Anne-altaar voor het zieleheil van Anders Jensen en Cecilie Kragh, waarvoor zijn voorgangers 300 mark hadden ontvangen, alsmede tot enkele andere verplichtingen wegens de vorige akte (52). Op 26-4-1447 maakte Anders Jensen deel uit van het landgericht van Zeeland (57). Op 14-5-1447 werden hij en zijn vrouw door het convent in Maribo (Musse h.) opgenomen „in de schoot van onze broederschap” met alle voorrechten daaraan verbonden, „wegens de toegenegenheid die U onze
Op 23-4-1445 (54), 19-5-1447 (59), 1448 (67), 20-5-1452 (77) en 17-9-1452 (78) trad hij op als medezegelend getuige bij oorkonden, en op 30-3-1452 en 11-4-1454 was hij ambtshalve betrokken bij een geschil over de pastorie van Store Fuglede (Ars h.) (76, 81). Voor het gericht van de Sømme gouw legde een Owe Pedersen van Anders Jensen Halvegge Ølstykke (Jørlunde h.) op 13-5-1454 een verklaring af over het verlies van (43,59,77,78) een schip met proviand door desertie van de schipper. Hij vertelde dat hij door Anders Jensen namens de edelen tot hoofdman was aangewezen in de oorlog in Zweden, en met zijn mensen in moeilijkheden was geraakt door het verlies van de levensmiddelen (82). In een kerkelijk vonnis van 25-4-1455 betreffende een kanunnik, die zich kerkelijk bezit toegeëigend had, blijkt Anders Jensen een vergeefse poging gedaan te hebben de zondaar tot inkeer te brengen (86). Op 28-12-1454 blijkt Cecilia overleden te zijn. De executeurs bevestigden haar schenking van 1438 en zouden toezien op de naleving der voorwaarden (84). In een aflaatbrief van 19-8-1502 wordt een reeks nonnen van het St. Agnes-klooster opgesomd. Daarbij is een Elsebe Halvegge (179). Gezien de relatie van Anders Jensen met dit klooster, ligt de veronderstelling voor de hand, dat Elsebe zijn dochter was, maar zeker is dat niet. Anders Jensen werd altijd met zijn patroniem, nimmer met de familienaam aangeduid. * * Olaf Jensen. In 1448 werd Olaf Daa gekozen tot bisschop van Roskilde. Dit had een promotiegolf tengevolge. Bij pauselijke bul van 17-12-1448 werd Olaf Jensen, cantor en kanunnik in Kopenhagen, vicaris van het altaar van St. Dorothee in Roskilde, en kanselier van koning Christiern I, benoemd tot proost te Roskilde, de vorige functie van Oluf Daa. Daarbij behoorde een kanunnikdij te Roskilde met een prebende van 15 mark, waartegen hij zijn cantoraat (mat kanunnikdij in Kopenhagen met prebende van 5 mark) en het vicariaat (opbrengst 3 mark) moest afstaan (65). Wegens slordigheden in de formulering waren er nog twee correctiebrieven nodig, van 30-12-1448 (66) en 11-1-1449 (68), waarna op 11-1-1449 nog eens de definitieve pauselijke goedkeuring volgde (69). Eveneens op 17-12-1448 werd zijn cantoraat met kanunnikdij en prebende (5 mark) toegekend aan Bent Topsen (63) en het vicariaat (3 mark) aan Johannes Bacenest (64). Merkwaardigerwijs werd Olaf Jensen nadien nooit als proost, maar altijd slechts als kanunnik te Roskilde aangeduid, tweemaal (72, 90) zelfs nog als cantor, wellicht uit macht der gewoonte. Blijkbaar heeft hij ook nog de vicarie van het St. Bartholomeus-altaar verworven, want in 1456 stond Joachim Grubbe, zojuist tot bisschop van Bergen benoemd, zijn kanunnikdij te Roskilde (met prebende van 4 mark) af aan Oluf Jensen in ruil voor die vicarie. Deze transactie werd goedgekeurd bij pauselijke bul van 28-9-1456 (88). Er zijn naamlijsten bekend van de leden van het kapittel van Roskilde uit 1459 en 1460 (94, 96). Dat Olaf Jensen toen twee kanunnikdijen bezat, is er waarschijnlijk de oorzaak van dat hij op de eerste lijst tweemaal voorkomt. Olaf Jensen verleende op 18-6-1449 een zekere Jep Pedersen procuratie om hem te vertegenwoordigen inzake bezittingen in Nybølle en elders (72). Waarschijnlijk van 1457 dateert een pauselijke bul van paus Calixtus III, waarin deze twee bisschoppen opdroeg zich bezig te houden met een conflict tussen Olaf Jensen en zijn kapittel (90). De grafsteen van Olaf Jensen Halvegge in de Domkerk van Roskilde. De randtekst (linksboven beginnend) luidt: Hic iacet / dñs [olaus i]oh šis canõicus ro kdñi mcdxci, vi kšl fe[br˜ cuius a©˜a requieÁcat in] pace = Hic iacet dominus Olaus Johannis, canonicus roskildensis, qui obiit anno domini mcdxci°, vi° kalendas februarii, cuius anima requiescat in pace = Hier rust Heer Olaf Jensen, kanunnik te Roskilde, die overleed in het jaar onzes Heren 1491, de 27e januari, wiens ziel ruste in vrede. ![]() Olaf Jensen Halvegge (106,143) ![]() Op 21-10-1466 legde Olaf Jensen een korte verklaring af, als deel van de aanklacht tegen de gevangen genomen bisschop van Uppsala (101). Medezegelend getuige bij diverse oorkonden was hij op 25-3-1463 (99), 2-1-1469 (106) en 30-9-1474 (116). Hij trad op als lid van een koninklijk gericht op 28-3-1479 (samen met zijn broer Owe Halvegge) (121) en op 12/19-7-1480 (samen met Jep Halvegge) (123). In een vonnis van het koninklijk gericht van 13-4-1475 blijkt dat Olaf en Peter Jensen, wier dienaar Oluf Lercke door het gerecht van de Sømme gouw wegens beweerde diefstal ter dood veroordeeld en geëxecuteerd was, de betrokken functionarissen aangeklaagd hebben wegens machtsmisbruik (118). Zij werden in het gelijk gesteld en de betrokkenen gestraft, maar daarmee kon uiteraard de gehangene niet meer tot leven gebracht worden. Olaf was samen met de kanunnik Clavs Henriksen executeur testamentair van de kanunnik Børg Jensen. Drie oorkonden, twee van 23-6-1486 (137, 138) en een van 14-5-1487 (142) hebben betrekking op de aankoop van een erf ten behoeve van die nalatenschap, dat in een vierde akte, van 21-7-1487 (143) geschonken werd aan het St. Thomas van Cantelberg-altaar in de domkerk te Roskilde, voor het zieleheil van de overledene. Blijkens zijn grafsteen in de dom van Roskilde is Olaf op 27-1-1491 overleden (155). In pauselijke bullen van 10-6-1491 (157) en 19-10-1491 (158) werd beschikt over zijn opvolging als parochiepriester van Næsby en Tyvelse (Tybjerg h.), welke functie blijkbaar vooral als bron van inkomsten gold. De grafsteen, oorspronkelijk in de (in 1774 afgebroken) Mariakapel, ligt thans nog direct bij de hoofdingang van de domkerk. Olaf werd slechts in de oudste bronnen (63, 64, 65, 66, 68, 69, 72, 88, 90, 94) met patroniem aangeduid. Vanaf 1463 werd hij consequent met de familienaam Halvegge genoemd. * * Awe Jensen. Awe of Ove Halvegge werd de eerste maal genoemd op 28-3-1479, tesamen met zijn broer, de kanunnik Olaf Halvegge, als lid van een koninklijk gericht (121). Op 11-8-1486 maakte hij als edelman deel uit van een kerkelijke instantie in de domkerk te Roskilde, die een getuigenis vastlegde over de omvang van het bisschoppelijke „kwart” (een vorm van inkomsten ?) (139). In 1490 voldeed Awe Halvegge zijn toelatingsgeld voor het St. Luciusgilde te Roskilde (154), nadat reeds in 1486 zijn dienaar Per Awe Halvegge (139) Andersen hetzelfde gedaan had (141). ![]() * * Peter Jensen. In de reeds genoemde oorkonde van Cecilie Kragh van 10-7-1438 (43) werd onder haar medezegelende erfgenamen ook Peter Jensen genoemd. Dat hiermee reeds haar zwager Peter Halvegge bedoeld zou zijn, lijkt nogal onwaarschijnlijk uit een oogpunt van leeftijd: Peter kreeg rond 1495 nog kinderen. Het zegel, dat zekerheid zou verschaffen, ontbreekt helaas. Echter, ook de oorkonde van 11-9-1455, mèt zijn zegel, waarin Peter Jensen te Bråde genoemd werd als lid van het gericht van de Ringsted gouw (87), duidt reeds op een respectabele leeftijd bij zijn laatste Peter Jensen Halvegge vaderschap. Hij moet bij deze oorkonde in ieder geval meerderjarig, 25 (87,103,104,113,119, jaar, geweest zijn. Hij zal het laatste kind van zijn vader geweest zijn, die 150,165) immers rond 1430 overleed. ![]() Zoals waarschijnlijk de meeste edelen, had hij meermalen zitting in een gericht: op 14-12-1468 (104), 6-5-1472 (113), 6-6-1481 (125) en 23-4-1494 (166) in het landsgericht van Zeeland, op 30-4-1493 (162) in het koninklijk gericht te Roskilde, en op 11-4-1475 (117) in een kerkelijk gericht te Roskilde. De oorkonde van 1472, waarin ook Jep Halvegge optrad, kreeg nog een koninklijke bekrachtiging op 15-9-1486 (140). Op 13-5-1467 vinden we Peter Jensen onder de edelen die Hans, zoon van koning Christiern I, als kroonprins huldigen (103). Als medezegelend getuige verscheen hij op 12-3-1471 (111), 15-2-1473 (114) en 23-10-1493 (163). De erfgenamen van Bothilde, weduwe Paris, verrichtten op 15-12-1477 een omstandige ruil van bezittingen met derden. Onder die erfgenamen was ook Peter Jensen, als echtgenoot van een kleindochter (zoonsdochter) van Bothilde (119). Op 24-2-1489 regelde Peter Jensen met zijn schoonzoon Eggert Andersen het moederlijk erfdeel van zijn dochter Karine. Onder de medezegelende getuigen was ook Villum Sort, die we kennen als schoonzoon van Jep Halvegge (150). Peter Jensen verkocht ca. 6-4-1494 een erf in Kalkerup (Tybjerg h.) aan Anna, weduwe van Joachim Griis (165), en op 17-6-1497 vond de koninklijke bekrachtiging plaats van twee koopbrieven, waarvan er één waarschijnlijk uit 1492 betrekking had op de verkoop door Peter Jensen aan Henrik Meyenstorp van twee erven in Bøgebjerg en Atterup (beide in Boeslunde s., Slagelse h.) (172). Het gebruik van de geslachtsnaam voor Peter Jensen is wisselend. In acht oorkonden (103, 113, 114, 117, 140, 162, 165, 172) werd hij met de familienaam aangeduid, soms als Per Jensen som kaldes Halvegge; in de overige tien vinden we slechts zijn patroniem. Als woonplaats werd in 1455 (87) Bråde (nu Holsteinborg, Flakkebjerg h.), in 1468 (104) Saltø (Karrebæk s., Flakkebjerg h.), in 1471 (111) en 1481 (125) Vallekilde (Skippinge h.) genoemd. Verder heette hij van 1472 tot 1494 „van Vindinge” (nu Fyrendal, Flakkebjerg h.) (113, 117, 119, 150, 163, 165, 166). Het goed Vallekilde was voordien in bezit van Ingemar Grubbe, maar Peter Jensen bezat het reeds lang voor hij met diens dochter trouwde (Trap, o.c., bd. 7: Vallekilde s.). * * Peter Jensens vrouwen en kinderen. Het heeft er alle schijn van, dat in de middeleeuwse adellijke samenleving steeds één broer tot „taak” had voor nageslacht te zorgen. De overigen werden geestelijke, huwden een oudere weduwe, of bleven anderszins kinderloos. Ook Peter was, evenals zijn vader, de enige van zijn generatie die nageslacht voortbracht, en eveneens vrij omvangrijk. De echtgenote van Peter Jensen stelt ons voor problemen. De enige oorkonde, waarin zijn vrouw een rol speelde (indirect en naamloos), was die van 1477 (119), waarin Peter de echtgenoot bleek te zijn van een kleindochter (zoonsdochter) van Bothilde Grib, de weduwe van Henning Paris. Hieruit volgt, dat zij een dochter geweest kan zijn van Åge Paris, hetgeen we later (250) bevestigd zullen vinden. Blijkens de regeling van 1489 (150) moet zij voordien overleden zijn. Zijn kinderen vallen duidelijk in twee groepen uiteen: één groep was rond 1489 reeds huwbaar, de ander werd pas rond 1495 geboren. Waarschijnlijk stond de regeling van 1489 dan ook in verband met een nieuw huwelijk. Volgens DAÅ (1946) is Peter hertrouwd met Anna Grubbe, dochter van Ingemar Grubbe en ... Basse. Een bron wordt echter niet genoemd. Onder de medezegelende getuigen van de oorkonde van 1489 waren ook twee leden van de familie Grubbe. Een beeld van de eerste groep kinderen krijgen we uit een oorkonde van 22-1-1506, waarin Åge Pedersen en Karine Pedersdr., weduwe van Eggert Andersen te Elmelunde (Mønbo h.), een jaarlijkse donatie aan het Bartholomeus-altaar beloofden, zolang hun zusters Elna en Kerstin in het Vor Frue-klooster in Roskilde leefden. Deze donatie bestond uit de opbrengst van twee erven in Vindinge (Tune h.). Na de dood der twee gezusters zouden de bedoelde erven geheel aan het altaar vervallen (184).
Op 11-10-1505 kocht Karine Pedersdr. te Elmelunde, Eggert Andersens weduwe, de helft van een erf in Viby op Hindsholm (Funen) (182) en op 30-1-1507 kocht ze de opbrengst van een erf in Vindinge (Tune h.), dat onder de hoede viel van haar zuster Elna Pedersdr. in het Vor Frue-klooster in Roskilde (187). Mogelijk betrof het een van de eerder aan het Bartholomeus-altaar geschonken erven, dat inmiddels Karine Pedersdr. (184) verpand was en nu weer afgelost werd. Åge (Awe, Ove) Pedersen woonde volgens Trap (o.c., bd. 6: Blovstrød s.) in 1496 in Sjælsmark (Blovstrød s., Lynge h.). Awe Pedersen te Hyrnensholm (Hørsholm, Lynge h. ?) verkocht op 3-4-1506 een erf te Skævinge (Strø h.), dat hij geërfd had van Svend Jensen Paris (Jens was een zoon van Åge Paris voornoemd, zodat Svend Paris een neef was van Awe Pedersen) (186). Op 30-7-1508 legde Owe Pedersen te Dysted (Toksværd s., Hammer h.) een getuigenis af (189), en in 1509 droeg hij enige goederen in Sandby en Hellenæs (Branderslev s., Horslunde h., Lolland) over aan koning Hans (190). Na een lang hiaat vinden we hem in 1538 weer in Dysted (239a). AwePedersen(197) ![]() Van een oorkonde van 8-9-1517 is mij slechts bekend dat hij Owes zegel draagt (197) en van zijn eigendomsbrief van een erf in Kirke Helsinge (Løve h.) is zelfs het jaartal niet bekend (gesteld op 1500-1525) (175). Een akte van 1541, waarin Offue Pedersen onbevoegde gebruikers van zijn grond voor het gericht te Viborg daagde (243), zou volgens Thiset ook op „onze” Owe betrekking hebben. De grote afstand in tijd en plaats maakt dat echter twijfelachtig. De kinderen uit het tweede huwelijk van Peter Jensen zijn Niels en Anne Pedersen. Ik kom hierna uitvoeriger op hen terug. Van Anne werd in een getuigenis uit 1525 gezegd, dat ze toen 30 jaar oud was (212). Anne beschuldigde op 10-7-1541 haar neef (zusterzoon) Claus Eggersen (Ulfeldt) te Elmelunde van vrijheidsberoving (242), en op 16-6-1542 noemde dezelfde Claus Ulfeldt haar zijn tante (moederzuster) (247), waarmee het verband tussen beide groepen kinderen van Peter Jensen bevestigd wordt. Wie echter de moeders van deze twee groepen kinderen waren, was zelfs voor de directe nakomelingen zelf een probleem. Claus Ulfeldt was tweemaal gehuwd, en de verschillende nakomelingen zorgden dan ook voor twee grafstenen, waarop echter de kwartieren van Karine (aangeduid door de wapens) niet dezelfde waren ! Volgens diverse bijdragen in DAÅ waren de kwartieren van Claus Ulfeldt: Erik Anne N. von N. Jens Helena Age ? Ulfeldt | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| a. | Gemeentearchief Deventer, Doopboeken Ned. Geref. kerken, reg. 108 resp. 109. |
| b. | Gemeentearchief Deventer, Renunciaties 1643-55, p. 374. |
| c. | Gemeentearchief Deventer, MA 156a, f(223. |
| d. | Gemeentearchief Amsterdam, Ondertrouwregister 528, doopboeken geref., reg. 46, 99, 108. |
| e. | Saskia de Bodt, Op de raempte off mette brodse (Haarlem 1987), p. 19, 32 (leesfout: Halerbech), 89. |
| f. | Povl Eller, Kongelige Portrætmalere i Danmark 1630-82 (Khvn. 1971), p. 266, 267. |
| g. | J. Holmgaard, Kancelliets Brevbøger 1647 (Khvn. 1989), p. 154. |
| h. | Dr. J.C. van Slee, De Illustre School te Deventer 1630-1878 ('s-Gravenhage 1916), p. 32. |
| i. | E. Marquard, Kjøbenhavns Borgere 1659 (Khvn. 1920), p. 71. |
| j. | Danske Samlinger, bd. I (1865-66), p. 289. | |||
|---|---|---|---|---|
| k. | Idem, p. 300. | |||
| l. | Personalhistorisk Tidsskrift, 35 (1914), p. 121. | |||
| m. | Idem, 35 (1914), p. 149, resp. 37 (1916), p. 57. | |||
| * | * | * | ||
De bronnen zijn als volgt omschreven: Nummer: datum / A / B / C , waarin:
A = het originele document, met:
RA = Rigsarkivet, København KB = det Kongelige Bibliotek, København AM = Arnemagnæanske diplomsamling (i Københavns Universitet, Arnemagnæanske Institut) LA = RA, Lokalarkiver (Vejledende Arkivregistraturer XVII og XVIII) PA = RA, Privatarkiver PAP = RA, Privatarkiver på pergament NKR = RA, Ny kronologisk række HDB = RA, Kongens retterting, Herredagsdombog RFB = RA, Kongens retterting, Rigens Forfølgningsbog GKS = KB, Gamle kongelig samling NKS = KB, Ny kongelig samling
B = Vidissen, oude kopieën en regesten in handschrift, met:
DK = RA, Danske kancelli (Vejledende Arkivregistraturer I) TS = RA, Thiset's seddelregistrant (H=Halvegge, V=Væbner, G=Galde) HSK = RA, Håndskrift samlinger I, T. Klevenfeldt HSL = RA, Håndskrift samlinger I, J. Langebek's diplomatarium
C = Gedrukte publikaties: zie de aan het eind opgenomen lijst der Opera citata.
Daarbij betekent:
[ ] = niet zelf gezien; [*A] = originele document vergeefs gezocht, signatuur wellicht verouderd; *B, *C = kort regest of alleen referentie. = (onder A) Halvegge- of Væbner-zegel volgens de codering in Petersen o.c. 1, 2 (A = adelig, G = gejstlig) of Thiset o.c. 3 (Axi en Hvi). pk = paket (bundel); lg = læg (map); s = side (bladzijde); f(= folio; nr = nummer.
| * * | ||||
|---|---|---|---|---|
| nr. | Datum | A | B | C |
| origineel | handschr. kopieën | publikaties | ||
| 1: | 1- 9-1340 | / AM LVI-38 | / HSL 14; TS H; HSK 29 | / *ÆDA V s 579; RD I nr 1883; DD III.1 nr 61 |
| 2: | 1344 | / | / | / *ÆDA I s 208; *DD III.2 nr 107 |
| 3: | 1345 | / | / | / *ÆDA III s 369; *DD III.2 nr 211 |
| 4: | 15- 1-1346 | / AM LVII-18 | / HSL 15; TS H; HSK 29 | / *ÆDA V s 579; RD I nr 2065; DD III.2 nr 226 |
| 5: | 30- 8-1346 | / | / HSL 15; vidisse i nr 19 | / RD I nr 2084; DD III.2 nr 274 |
| 6: | 1346 | / | / | / *ÆDA I s 274; *DD III.2 nr 309 |
| 7: | 11- 5-1348 | / AM XXI-6 | / HSL 15 | / RD I nr 2145; DD III.3 nr 23 |
| 8: | 4-12-1360 | / AM LVIII-10 | / HSL 17; TS H; HSK 29 | / *ÆDA V s 579; RD I nr 2617; DD III-5 nr 392 |
| 9: | 4- 3-1361 | / AM LVIII-11 | / HSL 17; TS H; HSK 29 | / *ÆDA V s 579; RD I nr 2629; DD III-6 nr 13 |
| 10: | 1370 | / | / [KB Sorø Gavebog f(21] | / *DD III-8 nr 517; Langebek IV s 494 |
| 11: | 7- 9-1374 | / AM XXXVII-6 (= LA Antvorskov kl. 6) / HSL 18; TS H | / RD I nr 3037; DD III.9 nr 389 | |
| 12: | 6- 7-1378 | / | / HSL 19; KB Kall's sml 404 4( | s 17 / *ÆDA III s 339; RD I nr 3225; DD IV.1 nr 412 |
| 13: | 31-12-1387 | / NKR 1385; A 880 | / HSL 20 (3×); TS H | / RD I nr 3622 |
| 14: | 31-12-1387 | / NKR 1386 | / HSL 20 | / RD I nr 3623 |
| 15: | 23- 9-1391 | / NKR 1486 | / HSL 21 (2×); TS V | / RD I nr 3815 |
| 16: | 16- 6-1394 | / AM I-21 | / HSL 21; TS H | / RD I nr 3937 |
| 17: | 14- 9-1395 | / | / | / Thiset (1) s 212 |
| 18: | 1395 | / | / | / *ÆDA IV s 84 |
| 19: | 6- 3-1398 | / NKR 1706 | / | / RD I nr 4190; Suhm s 458 |
| 20: | 31- 7-1408 | / NKR 2194 | / HSL 24; TS H | / RD I nr 5000 |
| 21: | 24- 6-1411 | / NKR 2305 | / HSL 24; TS H | / RD I nr 5150; Thiset (1) s 212 |
| 22: | 29- 4-1416 | / AM XLIX-8 | / TS V | / RD I nr 5583 |
23: 1416 / / / Langebek IV s 494
24: 1417 / / / *ÆDA IV s 83
25: 1418 / / / *ÆDA IV s 83
26: 17- 3-1420 / [Svenske rigsarkiv]; Axi 1 / TS V / *RD I nr 5839; Silfverstolpe nr 2748
27: 15- 7-1421 / AM XXXVI-15 / HSL 25; TS V / *RD I nr 5930; Erslev nr 63; Otto s 103
28: 30-10-1427 / AM XXIV-5; Hvi 1 / HSL 26; TS H / RD I nr 6333
29: 18- 5-1429 / NKR 3044; Axi 2 / HSL 26 (2×); TS V / *ÆDA IV s 8; RD I nr 6393
30: 28- 7-1429 / NKR 3060 / HSL 26; TS V / *ÆDA I s 55 og IV s 8; RD I nr 6416
31: 1429 / / / Langebek IV s 494
32: 10-12-1430 / [Halmstad bys arkiv] / / RD I nr 6471
33: 17- 6-1431 / NKR 3099 / HSL 27 (2×); TS V / *RD I nr 6505; Danske magazin I.5 s 330
34: 17- 7-1431 / AM XXXVI-16 / HSL 27; TS V / RD I nr 6511; Otto s 103
35: 19- 7-1431 / / / Otto s 102
36: 5- 6-1432 / / vidisse i nr 176 / RD I nr 6563
37: 14- 3-1433 / / / Otto s 106
38: 8- 6-1435 / AM XXXVI-17 / HSL 27 / RD I nr 6764
39: 22- 7-1435 / AM XXXVI-18 / HSL 27 / RD I nr 6773
40: 21- 5-1436 / [*AM suppl I-34 = LA Roskilde St Agnete kloster 140] / HSL 27 (2×) (fejlagtig 15-5) / RD I nr 6827
41: 22- 8-1436 / NKR 3234 = LA Rosk Agn kl 141 / HSL 27; NKS 646c 4( nr 14 / *ÆDA IV s 280; RD I nr 6837
42: 30- 1-1438 / NKR 3273 = LA Rosk Agn kl 144 / HSL 27 (2×); TS V / RD I nr 6924
43: 10- 7-1438 / NKR 3292 = LA Rosk Agn kl 146; Axi 3 / HSL 27; TS V / *ÆDA IV s 289; RD I nr 6959
44: 25- 7-1438 / NKR 3293 = LA Rosk Agn kl 147 / HSL 27; TS V / *ÆDA IV s 281; RD I nr 6963
45: 24- 6-1439 / NKR 3312 = LA Rosk Agn kl 148 / HSL 28; TS V / RD I nr 7014
46: 1439 / / / *ÆDA I s 209
47: 24- 5-1440 / NKR 3338 = LA Rosk Agn kl 150 / HSL 28; TS H / *ÆDA IV s 287; RD I nr 7081
48: 13-12-1441 / AM XXXVI-19; Hvi 2 / HSL 28; TS H / RD I nr 7205
49: 3- 5-1442 / AM LXI-23 / TS V / RD I nr 7243
50: 1442 / / / *ÆDA IV s 84
51: 1443 / / / *ÆDA IV s 84
52: 4- 3-1444 / NKR 3487 = LA Roskilde Franc. kloster 3 / HSL 29; TS V / RD I nr 7409
53: 1- 7-1444 / [Svenske rigsarkiv] / / RD I nr 7434
54: 23- 4-1445 / NKR 3527 = LA Københavns kapitel 57 / HSL 29; TS V / RD I nr 7501
55: 14- 8-1445 / [RA personalhistorisk sml ged] / / RD I nr 7534
56: 9- 3-1446 / NKR 3557 = LA Rosk Agn kl 153 / HSL 29; TS V / RD I nr 7585
57: 26- 4-1447 / AM LXI-29 / TS V / RD I nr 7689
58: 14- 5-1447 / NKR 3606 = LA Maribo kloster 8 / HSL 29; TS V / RD I nr 7694
59: 19- 5-1447 / NKR 3607; G 438 / HSL 29; TS V / RD I nr 7695
60: 20- 5-1447 / [RA personalhistorisk sml: Aage Ax. Thot] / / RD I nr 7695a
61: 8- 5-1448 / AM XLIII-9 / HSL 29; TS V / RD I nr 7784
62: 22- 8-1448 / NKR 3663 = LA Rosk Agn kl 154 / HSL 29 (2×); TS V / *ÆDA IV s 279; RD I nr 7809
63: 17-12-1448 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1911
64: 17-12-1448 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1912
65: 17-12-1448 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1912bis
66: 30-12-1448 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1913
67: 1448 / NKR 3677 / HSL 29; TS V / RD I nr 7842
68: 11- 1-1449 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1918
69: 11- 1-1449 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 1919
70: 28- 1-1449 / NKR 3681; Hvi 3 / HSL 29; TS H / RD I nr 7851
71: 5- 3-1449 / AM XLIII-10 (= LA Roskilde kapitel 350) / / RD I nr 7858
72: 18- 6-1449 / NKR 3704 = LA Roskilde kapitel 352 / / RD I nr 7899
73: 1449 / / / *ÆDA I s 204
74: 17- 4-1450 / NKR 3738 = LA Københavns kapitel 65 / HSL 29 (2×) / *RD I nr 7967; Reg II.1 nr 5697; Nielsen 2 nr 86
75: 20- 4-1450 / / HSL 29 / RD I nr 7971
76: 30- 3-1452 / / / RD II nr 128
77: 20- 5-1452 / AM XXXIV-21; G 438; Axi 3 / TS V / *RD II nr 142; Reg I.1 nr 3888; Danske magazin I.3 s 227-229
78: 17- 9-1452 / PA kron række; Axi 3 / HSL 30 / RD II nr 164
79: 1453 / / / *ÆDA I s 208
80: 1453 + u.d. / / / *ÆDA I s 212
81: 11- 4-1454 / / / RD II nr 342
82: 13- 5-1454 / AM III-23 / TS V / RD II nr 355
83: 13- 9-1454 / PAP pk 674 lg 3 / HSL 30; TS V / RD II nr 393
84: 28-12-1454 / LA Roskilde Agnete kl 158 / HSL 30; TS V / * ÆDA IV s 277; RD II nr 414
85: 24- 3-1455 / RA E XIV Matrup 3 / RA f(-reg 60 (Klevenfeldt) s 256 nr 13.1 / RD II nr 460
86: 25- 5-1455 / LA Roskilde kapitel 375 / HSL 30 / RD II nr 475
87: 11- 9-1455 / LA Roskilde bisp 377; Axi 4 / HSL 30; TS V / RD II nr 518
88: 28- 9-1456 / / / Krarup og Lindbæk 3 nr 2072
89: 30- 4-1457 / RA C6 pk 1 lg 7; Hvi 3 / HSL 31 (3×); TS H / *ÆDA IV s 48; RD II nr 724; Reg II.1 nr 6063; H Knudsen s 78
90: 1457-58 ? / / / Reg I.1 nr 4065; Langebek VIII s 392; Nielsen 4 nr 76; Krarup og Lindbæk 3 nr 2037
91: 19-10-1458 / PA kron række / TS V / *ÆDA V s 28; RD II nr 898
92: 1458 / / / *ÆDA IV s 84
93: 1458 / / / Otto s 117, 122
94: 1459 / / / Langebek VIII s 324-325; Otto s 126-127
95: 1459 / / / Otto s 136, 138
96: 1460 / / / Langebek VIII s 328-330; Otto s 138-139
97: 19- 3-1461 / / HSL 31; vidisse i nr 334 / RD II nr 1294
98: 1461 / / / Otto s 148-149
99: 25- 3-1463 / / / *RD II nr 1595; Reg I.1 nr 4171; Nielsen 4 nr 87; Danske magazin I.3 s 206-210 100: 28- 1-1464 / [Herlufsholms arkiv] / HSL 32 / RD II nr 1704; Helms s 424 101: 21-10-1466 / / HSL 32 / Langebek VIII s 420 102: 1466 / / / *ÆDA V s 741 103: 13- 5-1467 / RA B2 Hyldinger 10; Axi 4 / HSL 32 / *RD II nr 2269; Reg II.1 nr 6626; Wegener nr 136 104: 14-12-1468 / RA C3 Domme 9; Axi 4 / HSL 32 (3×), TS V / *RD II nr 2516; Reg I.1 nr 4344; Ewensen s 11; Kolderup-Rosenvinge 1 nr 4; Reitzel-Nielsen 1 nr 21 105: 1468 / / vidisse i nr 248 / RD II nr 2524 106: 2- 1-1469 / AM XL-4; G 302 / HSL 32 / RD II nr 2541 107: 11- 5-1469 / PA kron række (ved nr 91) / / *ÆDA V s 28; RD II nr 2594 108: 5- 6-1470 / [RA Matrup godsarkiv] / / RD II nr 2751 109: 6-12-1470 / PA 692 / / RD II nr 2852 110: 1470 / / / *ÆDA I s 205 111: 12- 3-1471 / AM LXIII-1 / TS V / *ÆDA V s 575; RD II nr 2917 112; 2- 3-1472 / / / RD II nr 3051 113: 6- 5-1472 / AM XXVI-15; Axi 4; Hvi 3 / TS H; TS V / RD II nr 3089 114: 15- 2-1473 / / HSL 33; [PA H.O.Godov] / RD II nr 3198 115: 8- 3-1474 / / / *RD II nr 3421; Kolderup-Rosenvinge 1 s 13; Reitzel-Nielsen 1 nr 25 116: 30- 9-1474 / / HSL 33 / RD II nr 3517 117: 11- 4-1475 / / HSL 33 / RD II nr 3599 118: 13- 4-1475 / / HSL 33; GKS 3170 4( f( 204-204vo; NKS 1346bc 4( / RD II nr 3603; Reitzel-Nielsen 1 nr 26 119: 15-12-1477 / PA kron række; Axi 4 / HSL 33; TS V / RD II nr 4124 120: 1- 7-1478 / RA E XIV Gisselfeld 1 / HSL 34 / RD II nr 4235 121: 28- 3-1479 / [Svenske rigsarkiv] / HSL 34; TS V (fejlagtig 1477); vidisse i nr 329 / 122: 7- 6-1480 / [Herlufsholms arkiv] / HSL 34 / RD II nr 4633; Helms s 425 123: 12/19-7-1480 / / / *ÆDA III s 111; RD II nr 4649 124: 1-6-12-1480 / PAP pk 381 lg 1 / HSL 34 / RD II nr 4727 125: 6- 6-1481 / AM VI-4 / TS V / RD II nr 4876 126: 23- 6-1482 / AM XXVII-5; Axi 5 / / RD II nr 5043 127: 18-10-1482 / / HSK 29 / RD II nr 5097 128: 30-10-1482 / PAP pk 381 lg 6 / HSL 34; TS H / RD II nr 5104 129: 30-11-1482 / LA Sorø kloster 21 / TS H / RD II nr 5118 130: 1482 / / *ÆDA V s 743 (A6)
/ TS V
131: 1482? / / #/ *ÆDA V s 743 (A5) 132: 12- 1-1485 / / / RD II nr 5621s 133: 8- 2-1485 / / / *RD II nr 5631; Hübertz nr 42 134: 8- 3-1485 / / NKS 754 2( f( 234vo-235; vidisse i nr 227 / *ÆDA V s 308; RD II nr 5641 135: 8- 3-1485 / / / Hübertz nr 44 136: 19- 3-1485 / PAP pk 516 lg 4 / / *RD II nr 5646; Reg II.1 nr 7788; Barner dipl nr CLVII 137: 23- 6-1486 / AM XLVIII-1 / HSL 35 / *RD II nr 5896; Nielsen 4 nr 191 138: 23- 6-1486 / AM XLVIII-2 / / RD II nr 5897 139: 11- 8-1486 / LA Roskilde bisp 544; Axi 6 / HSL 35; TS V / *RD II nr 5922; Danske magazin V.3 s 358-359; Kornerup s 226 140: 15- 9-1486 / AM XLVI-10 / TS H; TS V / RD II nr 5935 141: 1486 / / / Nyrop s 369 142: 14- 5-1487 / AM XLVIII-3 / HSL 35 / RD II nr 6076 143: 21- 7-1487 / AM XLVIII-4; G 302 / / RD II nr 6107 144: 10- 4-1488 / / vidisse i nr 339 / RD II nr 6250 145: 25- 7-1488 / Hvi 3 / HSL 35 / RD II nr 6309; Kall Rasmussen s 103-104 146: 21-10-1488 / RA E XIV Matrup 18 / TS V; RA f(-reg 60 (Klevenfeldt) s 258 nr 13.14 / RD II nr 6349 147: 15-11-1488 / RA E XIII Viborg by / HSL 35; TS V / 148: 1488 / / / *ÆDA V s 742
149: 17- 2-1489 / RA E XIV Matrup 19; Axi 11 / TS V; RA f(-reg 60 (Klevenfeldt) s 251 nr 12.8 / *RD II nr 6442; Reg II.1 nr 8000; Barner dipl nr CLXV 150: 24- 2-1489 / [*PA E.A.Ulfeldt]; Axi 4 / HSL 35 / RD II nr 6447 151: 1489 / / vidisse i nr 360 / RD II nr 6608 152: 19- 5-1490 / RA C6 pk 5 lg 7; Axi 11 / HSL 35; TS V / *ÆDA IV s 43; RD II nr 6727 153: 3- 6-1490 / / / Thiset (1) s 378; PHT 1882 s 43 154: 1490 / / / Nyrop s 370 155: 27- 1-1491 / [Roskilde domkirke, gravsten] / / Løffler s 7; Jensen II s 158; Danmarks kirker III.4 s 756 156: 6- 3-1491 / RA E XIV Barritskov / / RD II nr 6895 157: 10- 6-1491 / / / Krarup og Lindbæk 4 nr 3242 158: 19-10-1491 / / / Krarup og Lindbæk 4 nr 3254 159: 1491 / / / *ÆDA I s 209 160: 1- 1-1492 / PAP pk 205 lg 5; Axi 20 / HSL 36 / RD II nr 7046 161: 29-10-1492 / / / Krarup og Lindbæk 5 nr 3320 162: 30- 4-1493 / AM VII-14 / TS V / RD II nr 7404 163: 23-10-1493 / PA kron række / HSL 36; TS V / RD II nr 7488 164: 4- 1-1494 / / / *ÆDA II s 276 165: ca 6-4-1494 / AM XVIII-7; Axi 4 / TS V / RD II nr 7623 166: 23- 4-1494 / AM XXVIII-2 / TS V / RD II nr 7638 167: 24-8-1494? / / GKS 1141 2( f( 241vo-243; RA Hs sml V B18 nr 246 / RD II nr 7723; Reitzel-Nielsen 1 nr 39 168: 25- 6-1495 / PA kron række / HSL 36 / RD II nr 7931 169: 1496 / / / *ÆDA I s 202 170: 18- 1-1497 / RA E XIV Gl Estrup / / RD II nr 8332 171: 8- 4-1497 / / vidisse i nr 310 / RD II nr 8373 172: 17- 6-1497 / PAP pk 383 lg 3 / HSL 36; TS V / RD II nr 8409 173: 31- 5-1499 / [*RA topog sml papir: V. Flakkebjerg h., Tingjellinge s.] / / RD II nr 8816 174: 26- 8-1499 / [Herlufsholms arkiv] / HSL 37 / RD II nr 8875; Langebek IV s 361 175: (1500-1525) / / / Thiset (2) s 191 176: 6- 2-1501 / PAP pk 90 lg 5 / HSL 27; TS V; RA f(-reg 60 (Klevenfeldt) s 252 nr 12.13 / RD II nr 9304 177: 2- 3-1502 / AM XXIX-7 / / RD II nr 9562 178: 7- 4-1502 / LA Gunderslev kirke 5 / HSL 37 / RD II nr 9581 179: 19- 8-1502 / / [HSL 37] / Kirkehistoriske samlinger IV.1 s 749-752 180: 1503 / / vidisse i nr 248 / RD II nr 9972 181: 1504 / / / *ÆDA I s 261 182: 11-10-1505 / [PA E.A.Ulfeld] / HSL 38 / RD II nr 10454 183: 31-12-1505 / / / RD II nr 10498 184: 22- 1-1506 / AM XXXVI-20; Axi 8 / HSL 38; TS V / RD II nr 10545 185: 2- 3-1506 / RA E XIV Barritskov / / RD II nr 10561 186: 3- 4-1506 / / / Langebek VI s 208-209 186a: 20-09-1506 / / / Heise nr 169 187: 30- 1-1507 / PAP pk 630 lg 3 / TS V; RA f(-reg 60 (Klevenfeldt) s 130 / RD II nr 10755 188: 7- 5-1508 / [PA C.N.Dyre] / / RD II nr 11012 189: 30- 7-1508 / / TS V / 190: 1509 / / / *ÆDA IV s 33 og V s 38 191: 4- 2-1510 / PA 2282; Axi 12, 16, 17 / / RD II nr 11468 192: 29- 6-1510 / PA 2285 / / RD II nr 11564 193: 1-6/15-9-1512 / LA Århus bisp 28; Axi 21 / / RD II nr 12212 194: 9- 2-1513 / RA C6 pk 18 lg 2; Axi 13, 14 / HSL 40 (2×); TS V / RD II nr 12466 195: 10- 9-1515 / / / Samlinger til den danske historie s 68-69 196: 30-11-1516 / / / Reg I.1 nr 6097; Samlinger til den danske historie s 20 197: 8- 9-1517 / PA 5141 pk 4; Axi 7 / / 198: 4- 1-1518 / / / Samlinger til den danske historie s 80-81 199: 1519 / PA 1207 / / 199a: 7-12-1519 / PA 1207 / / 199b: 24-2-1520 / PA 1207 / / 199c: 12-4-1520 / PA 1207 / / 199d: 9-6-1520 / PA 1207 / / 199e: (1520?) / PA 1207 / / 200: 2-11-1520 / / / Christensen s 405 201: 1520 / / / Christensen s 398 202: 1520 / / / Christensen s 421 203: 11-11-1521 / / / Christensen s 413 204: 6- 4-1522 / / / Thiset (1) s 345, 391 204a: 10-7-1523 / [PAP (Knud Pedersen Gyldenstierne)] / [RA MS XIII.32] / *AR 86 205: (1523-1533)? / / / Thiset (2) s 145; *AR 236 206: 30- 9-1524 / RA kongehuset Chr II München sml pk 9b lg 30 / /
207: 23-11-1524 / RA C6 pk 25 lg 2a / HSL 43 / *ÆDA IV s 404; Erslev og Mollerup s 62-63 208: 19- 3-1525 / / / Ekdahl s 856-857 (nr 1341) 209: 20- 3-1525 / / / Ekdahl s 857-859 (nr 1679) 210: 29- 3-1525 / / HSL 43 / 211: 11- 4-1525 / [Svenske rigsarkiv] / / Hanserecesse 3.9 nr 55 212: 14- 4-1525 / RA E Hansestæderne Lübeck / HSL 43 / Hanserecesse 3.9 nr 56, 57 213: 30-11-1525 / RA kongehuset Chr II München sml pk 9a lg 19 / / *Reg nr 11666; *AR 149 214: 1525 / / / *ÆDA II s 159 og V s 110 215: (1525-1526) / Alg Rijksarchief 's-Gravenhage, Ambt Centraal Bestuur nr 1097 / / Sick s 68-69 (nr XII) 216: 4- 1-1526 / / / Ekdahl s 1017 (nr 1891) 217: 19- 2-1526 / / vidisse i nr 274 / 217a: 30-11-1526 / / DK B11 f° 42v / Erslev og Mollerup s -?-; *AR 158 218: 26-12-1526 / RA kongehuset Chr II München sml pk 9a lg 19 / / Allen s 451-456 (nr 218) 219: 26-12-1526 / RA kongehuset Chr II München sml pk 34b lg 40 / / 220: 20- 5-1527 / / / Thiset (1) s 275 221: 23- 8-1527 / / / Lange s 12 222: 22- 9-1527 / RA TKIA nr A93a / HSL 44 / Kirkehistoriske samlinger II.6 s 148-150 (nr 5);
*Reg nr 12148; *AR 130 223: 30-10-1527 / RA E XIV Trudsholm 87 / *HSL 54; TS V / 224: 23- 4-1528 / / / Ekdahl s 1205 (nr 2280) 225: 5- 7-1529 / PAP pk 653 lg 5 / HSL 45; TS V / *AR 143 226: 26- 7-1529 / PA 2281 / / 227: 6- 1-1530 / / HSL 35, 45; DK B10 f( 216-216vo; DK B11 f( 74-75vo; DK B12 s 104-106
/ Erslev og Mollerup s 242-243 228: 1530 / / / Rørdam (1) s 86 229: 9- 5-1531 / [Norske rigsarkiv] / / Marquard nr 26 230: 8- 6-1531 / [Norske rigsarkiv] / / Marquard nr 28 231: 13-11-1531 / / / Lange s 31; Saml til det norske folks sprog og hist s 40 232: 24-11-1531 / / / Marquard nr 36 233: 11-1531 / / DK B28 f( 108 / Lange s 31; Erslev og Mollerup s 457 234: 1532 / / / Erslev og Mollerup s 408 235: 1532 / / / Erslev og Mollerup s 453 236: 1532 / / / Erslev og Mollerup s 456 237: 15- 9-1533 / RA E XIV Barritskov / TS V / 238: 26- 3-1535 / / / Hvitfeldt 239: 18-10-1535 / [SA Schwerin] / / Hanserecesse 4.2 s 279 (nr 250) 239a: 14-8-1538 / [RFB 1 f° 44v] / / T.Dahlerup 1 s 591 240: 1539-1540 / / / Danske magazin III.1 s 83 241: 27- 5-1540 / PAP pk 526 lg 1; Axi 10 / TS G / AR 134 241a: <10-7-1541 / / vidisse i nr 244a / *AR 235a 242: 10- 7-1541 / PA 6232 lg C; Axi 10 / / *Reg nr 799; *AR 235 243: 1541 / PA 2282 / / 244: 1541 / / / Rørdam (1) s 86 244a: 18-1-1542 / [RFB 1 f° 45] / / T.Dahlerup 1 s 591: *AR 21 245: 2- 2-1542 / PAP pk 527 lg 2 / TS G / *AR 30 246: 13- 6-1542 / / DK B18 s 747 / Kronens skøder s 15 247: 16- 6-1542 / / vidisse i nr 252 / AR 316 248: 18- 6-1542 / HDB 4 f( 36 / / 249: 24- 8-1542 / Alg Rijksarchief Brussel, oude univ van Leuven reg 24 f( 157 / / Schillings s 248 250: 15-10-1542 / PAP pk 163 lg 3 / HSL 51; TS G / 251: 8-11-1543 / [HDB 4 f° 47v,48] / HSK 29 / T.Dahlerup 2 s 163; *AR 267,531 251a: 1543 / [RFB 1, f° 67] / / T.Dahlerup 2 s 444 252: 1- 6-1544 / PAP pk 163 lg 4 / HSL 51; TS G / 253: 2- 3-1545 / / DK B18 s 52 / Lange s 74 254: 1545 / / vidisse i nr 256 / 255: 4- 3-1546 / / / *ÆDA I s 249 og II s 64 256: 5- 3-1546 / HDB 5 f( 33vo-38vo / / Reitzel-Nielsen 1 nr 119 257: 28- 6-1546 / / HSK 26 / 257a: <30-6-1546 / [PAP 6232] / HSK 26; RA MS XIII.32 / AR 185 258: 30- 6-1546 / / HSK 26 / 259: 1546 / Axi 15 / / 260: 30- 3-1549 / PAP pk 674 lg 4 / TS V / 261: 26- 5-1553 / PAP pk 15 lg 1 / TS G; TS V / 262: ca 9-10-1553 / / DK B31.IV f( 284 / KBB 263: 23-10-1553 / HDB 6 f( 245vo-246vo / / Reitzel-Nielsen 1 nr 196 264: 1556 / [Holbæk kirke, gravsten] / / Jensen II s 259 265: 6- 1-1557 / [*RA Roskilde 101] / / Rørdam (3) 1 s 671 note 7 266: 8- 1-1557 / / DK B19.6 f( 102 / KBB 267: 15- 1-1558 / PA 2284 / TS V / 268: 10- 8-1558 / / / Rørdam (1) s 212-214 (nr 148) 269: 1-11-1558 / / DK B19.6 f( 445vo-446 / KBB; Heise nr 412 270: 1558 / / / Rørdam (3) 1 s 236 note 2 271: 1559-1560 / / / Danske magazin III.6 s 273 272: 12- 2-1560 / PA 2283 / / 273: 27- 4-1560 / PA 2283 / / 274: 21- 6-1560 / PA 2283 / / 275: 4- 7-1561 / / DK B19.7 f( 202vo / KBB 276: 5- 7-1561 / / DK B31.VI f( 470-470vo / KBB 277: 11-1561 / / / Løffler s 101; Danmarks kirker III.4 s 829 278: 19- 5-1562 / [Herlufsholms kirke, gravsten] / / Jensen II s 241; Resen (2) s 68-69, 73; Danmarks kirker V.2 s 1167 279: 13- 8-1563 / / / Förstemann s 55 280: 20- 8-1563 / [Arkivet på Gavnø] / / Kirkehistoriske samlinger III.2 s 367 281: 30- 8-1563 / / DK B26 f( 61 / KBB 282: 30- 8-1563 / / DK B26 f( 61vo / KBB 283: 9- 8-1564 / / DK B19.8 f( 80vo / KBB; Kronens skøder s 100 284: 1564 / KB Thottske sml 472 4( s 137-144 / / Kirkehist sml IV.2 s 506; Rørdam (3) 2 s 617;
Bruun 3 s 1253; Ehrencron-Müller s 375 285: 29- 9-1565 / / DK B19.8 f( 210-210vo / KBB; Nielsen 2 nr 384 286: 15-10-1565 / / / Kaae 287: 20-10-1565 / / / Danske magazin III.2 s 89, 95; PHT 1880 s 126 288: 10-1565 / / / Kirkehist sml IV.2 s 507 note 5; Rørdam (3) 2 s 626; Bruun 3 s 1144 289: 1- 5-1567 / / DK B19.9 f( 233vo-234 / KBB; Kirkehist sml IV.2 s 508; Danske magazin II.6 s 216-217 290: 16- 5-1567 / / DK B19.9 f( 234-234vo / KBB 291: 4- 8-1568 / / DK B31.X f( 137-137vo / KBB 292: 1569 / / / Jensen II s 259 293: 1569 / KB 53-44 4( (= film LN 711) / / Bruun 4 s 186; Ehrencron-Müller s 375 294: 1570 / / / Kirkehist sml IV.2 s 509; Rørdam (2) s 289; Ehrencron-Müller s 375 295: 1571 / / / Rørdam (3) 2 s 451-452 og 4 nr 77; Gjessing s 9-12 296: 11- 6-1572 / / / Reitzel-Nielsen 8 nr 965 297: 7- 8-1572 / / NKS 1224 4( / Kirkehistoriske samlinger II.5 s 183-185 298: 21- 5-1573 / / / Reitzel-Nielsen 8 nr 1014 299: 14- 5-1574 / / DK B54.11 f( 113vo-114 / KBB; Historiske kildeskrifter s 54-56 300: 11- 8-1574 / / / Friis nr 27; Løffler s 103; Danmarks kirker III.4 s 830 301: 3-10-1574 / / / Bang nr 135 302: 25- 3-1575 / / DK B57.13 f( 22vo-23 / KBB; Danske magazin III.3 s 249 303: 14-10-1575 / / / Pontoppidan I s 26; Løffler s 28; Jensen II s 222;
Danmarks kirker III.4 s 779; Kirkehist sml II.2 s 781 (nr 1) 304: 18-10-1575 / / [vidisse i nr 306/308] / Kirkehistoriske samlinger II.3 s 562-563 (nr 4) 305: 18-10-1575 / / DK B54.11 f( 178vo-179 / KBB 306: 23-10-1575 / [NKS 752c 2(]/ / Kirkehistoriske samlinger II.3 s 563-564 (nr 5) 307: 7-11-1575 / / vidisse i nr 312 / 308: 9-11-1575 / [NKS 752c 2(]/ / Kirkehist sml II.3 s 564-565 (nr 6) og II.4 s 278 309: 11- 2-1576 / / DK B54.11 f( 195vo-196 / KBB; Kirkehist sml II.3 s 552 310: 20- 2-1577 / RFB 6 f( 62vo-63vo / / 311: 25- 2-1577 / / DK B54.11 f( 270-271 / KBB 312: 13- 5-1577 / / / Rørdam (3) 4 nr 196a 313: 3- 8-1577 / / / Friis nr 27; Løffler s 103; Danmarks kirker III.4 s 830 314: 10- 7-1578 / / DK B81.1 f( 284-284vo / KBB 315: 15- 8-1578 / / / Danske magazin I.6 s 344 316: 23- 9-1578 / RA C6 pk 187 lg 2; Axi 18 / DK B78.2 f( 220-221 / KBB; Kronens skøder s 183 317: 1578 / / / Rørdam (3) 4 nr 196b 318: 28-12-1579 / / DK B78.3 f( 3vo-4 / KBB 319: 13- 7-1580 / RA B2 Hyldinger 36; Axi 19 / / 320: 15- 7-1581 / / DK B57.14 f( 490-493 / KBB 321: 4- 7-1582 / / DK B78.3 f( 408b / KBB 322: 1582 / / / Hofman IX s 116 323: 1582 / KB Thottske sml 2041 4( / / Historiske kildeskrifter s 64 324: 14- 4-1583 / [RA Konsistoriets arkiv] / / Historiske kildeskrifter s 70-71 325: 13- 9-1583 / / DK B81.2 f( 419vo-420 / KBB; Rørdam (4) s 366 (nr 485) 326: 21- 9-1583 / [Roskilde domkirke, gravsten] / / Friis nr 28; Løffler s 35; Jensen II s 290; Danmarks kirker III.4 s 785 327: 8- 3-1585 / / / Danske samlinger s 96 328: 1585 / KB 4-173 4( (= film LN 710) / / Kirkehist sml IV.2 s 510; Bruun 1 s 324; Ehrencron-Müller s 375 329: 4- 3-1587 / RFB 8 f( 44-46vo / / 330: 29- 3-1587 / [Hornslet kirke, gravsten] / / Pontoppidan II s 151; Jensen II s 266 331: 1- 2-1589 / PAP pk 279 lg 1 / TS V / 332: 9- 9-1589 / / DK B57.17 f( 195vo / KBB 333: 6- 1-1590 / / [DK] / KBB 334: 1- 8-1590 / HDB 13 f( 78-85 / / Kolderup-Rosenvinge 4 nr 45 335: 18-10-1590 / [Roskilde domkirke, gravsten] / / Friis nr 25; Løffler s 36; Jensen II s 292; Danmarks kirker III.4 s 786 336: 30-10-1590 / / DK B54.13 f( 162vo / KBB; Kirkehist sml III.2 s 305 337: 28-11-1592 / / DK B57.18 f( 208vo-211 / KBB 338: 10-12-1592 / / DK B81.4 f( 335-335vo / KBB 339: 22- 7-1598 / RFB 9 f( 345vo-347 / / 340: 31- 1-1603 / / / Rørdam (5) s 354 341: 6- 6-1603 / / / Rørdam (5) s 354 342: 10- 3-1604 / / / Rørdam (3) 3 s 607 343: 8-12-1604 / / / Weissenborn s 28 344: 1606 / / / Mentz s 138 345: 10- 4-1608 / / / Kirkehist sml IV.5 s 39 346: 17- 6-1608 / / / Reitzel-Nielsen 6 nr 854 347: forår 1611 / / / Wackernagel s 121 348: 28- 5-1611 / / / Wackernagel s 121 349: sommer 1611 / / / PHT 1898 s 136 350: 1611 / KB 12-241 4( / / Bruun 1 s 840; Ehrencron-Müller s 374 351: 19- 9-1617 / / vidisse i nr 355 / 352: 3- 5-1618 / / vidisse i nr 355 / Hofman II s 86 note f 353: 13- 3-1619 / / / Kirkehistoriske samlinger III.1 s 408 354: 11- 5-1620 / / / Danske magazin IV.5 s 52 355: 15- 7-1620 / RA Københavns universitet, konsistoriets kopibog II f( 128-134vo
/ / Hofman II s 86 note f; E.Dahlerup s 182; Kirkehist sml III.1 s 472-477
| 356: | 26- 2-1624 | / | / DK B78.8 f( 7 | / KBB | ||
|---|---|---|---|---|---|---|
| 357: | 26-10-1629 | / | / DK B81.8 f( 208-208vo | / KBB | ||
| 358: | 15- 4-1630 | / | / | / Bartholin s 318 | ||
| 359: | 8- 9-1632 | / RA Køb univ, kons kopibog III s 1-15 | / | / | ||
| 360: | 17- 7-1633 | / | / DK B79 pk 8 nr 438b¹ | / | ||
| 361: | 1638 | / | / | / Danske magazin V.1 s 186 | ||
| 362: | 28-12-1644 | / | / | / Bartholin s 458 | ||
| 363: | 29- 1-1648 | / [Køb Vor Frue kirke, kisteplade] | / | / Resen (1) s 67; Danmarks kirker I.1 s 105 | ||
| 364: | 1648 | / KB Univ progr | / | / Bruun 3 s 1144 | ||
| 365: | 29- 1-1649 | / | / | / Historisk tidsskrift III.4 s 575-577 | ||
| 367: | ? | / PA 6232 lg Ab | / | / | ||
| 369: | ? | / [Stadil kirke, gravsten] | / | / Jensen II s 272 | ||
* *
Opera citata
AR Adkomstregister (Københavns Universitet, Afd. for Navneforskning) ÆDA De ældste danske archivregistraturer, bd. IV, Khvn 18541910. DAÅ Danmarks adels årbog, Khvn 1884 (1896: Halvegge; 1946: Væbner)
Danmarks kirker, rk. I: København; III: Københavns amt; V: Sorø amt. Danske magazin, rk. IVIII (II = „ny”). Danske samlinger, bd. 1, Khvn 1865-66.
DD Diplomatarium danicum; Danmarks riges breve, rk. III, IV. Finlands Medeltidsurkunder, VIII, Helsingfors 1935. Hanserecesse, 3. Abt. (14771530); Hanserezesse, 4. Abt. (15311560). Heraldisk Tidsskrift, bd. 7, 1990-94.
HT Historisk tidsskrift, Khvn, rk. III, bd. 4, 1865-66 og rk. 12, bd. 4, 1969-70. Historiske kildeskrifter, rk. II, bd. 2, Khvn 1887.
KBB Kancelliets brevbøger, Khvn 1885 . Kirkehistoriske samlinger, rk. II („ny”), III, IV. Kronens skøder, bd. 1, Khvn 1892. Lexicon over adelige familier i Danmark, Norge og hertugdommene, bd. 1 og 2, Khvn 1787. Minerva et maanedsskrivt, Khvn, hæfte oct.dec. 1797.
PHT Personalhistorisk tidsskrift, Khvn 1880 . Reg Regesta diplomatica historiæ danicæ, rk. I og II, Khvn 1847 .
RD Repertorium diplomaticum; Danmarks breve fra middelalderen, rk. I og II, Khvn 1847 . Samlinger til den danske historie („Suhms ældre samling”), bd. 2, hæfte 2, Khvn 1782. Samlinger til det norske folks sprog og historie, bd. 6, Christiania 1839.
S.T. Achen. Danske adelsvåbener, en heraldisk nøgle, Khvn 1973.
H.J. Helms, Næstved St. Peders kloster (Skovkloster), Næstved 1940.
Dr. N. Hemmingsen, Demonstratio indubitatæ veritatis de Domino Jesu vero Deo et vero homine unico Christo, mediatore atque redemtore nostro unico, Khvn, 1. udg. 1561, 2. udg. 1571.
H. de Hofman, Samlinger af publique og private stiftelser, fundationer og gavebreve („Hofmans fundatser”), tom. II
og IX, Khvn 1756, 1763. Dr. J.R. Hübertz, Aktstykker vedkommende staden og stiftet Aarhus, bd. 1, Khvn 1845.
A. Hvitfeldt, Danmarks riges krønike; Christian III's historie, Khvn 1595/1976.
P.J. Resenius (= P.H. Resen (1)), Inscriptiones haffnienses, Khvn 1668.
P.H. Resen (2), Atlas danicus, bd. II F-J: Sydsjælland; dansk oversættelse, Khvn 1935.
J.P. Trap, Danmark (5. udg.).
H.G. Wackernagel, Die Matrikel der Universität Basel, bd. III (16011666), Basel 1962.
* *
van het gebruik van het diplomatarium.
Stel u wordt in de tekst verwezen naar de bron „(103)”.
In het diplomatarium vindt u dan onder nummer 103:
nr. 103.
datum 13-5-1467.
A (origineel): RA B2 Hyldinger 10; Axi 4.
Dat betekent, dat u de originele oorkonde in het Rijksarchief (RA) te Kopenhagen kont opvragen onder de aanduiding „B2 Hyldinger 10”.
Aan het stuk hangt (onder meer) het zegel dat in het boekwerk „Thiset o.c. 3” het nummer Axi 4 draagt (xi is het Romeinse getal 11).
Thiset o.c. 3 is volgens de lijst der opera citata (= aangehaalde werken) het boek: Thiset, Danske adelige sigiller fra det XV., XVI og XVII aarhundrede”, verschenen in 1905 te Kopenhagen.
B (handschrift-kopieën): HSL 32.
Dat betekent, dat u in het Rijksarchief te Kopenhage, in de verzameling Handschriften I (Håndskrift samlinger I), in het diplomatarium van J. Langebek, in hoofdstuk 32, een afschrift van de oorkonde kunt vinden. Meestal zijn die kopieën veel beter leesbaar dan het origineel.
C (publicaties, zie de lijst opera citata): *RD II nr. 2269; Reg. II. 1 nr. 6626; Wegener nr. 136.
*RD II nr. 2269 betekent, dat een korte samenvatting (dat geeft het sterretje aan) te vinden is onder nr. 2269 in reeks II van het Repertorium Danicum. Reg II.1 nr. 6626 betekent dat u een volledige tekst kunt vinden onder nr. 6626 in reeks II deel 1 van de Regesta diplomatica historiæ danicæ uit 1847. Wegener nr. 136 betekent dat u een tekstafdruk kunt vinden onder nr. 136 in het boek van
C.F. Wegener, Diplomatarium Christierni I uit 1856.
* * *