De Lage Landen tijdens de Duinkerke II-transgressie
1
een witte vlek in onze geschiedenis.
Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet
De laatste tijd is de stijging van de zeespiegel regelmatig onderwerp van beschouwingen in de media. In feite echter zijn variaties van de zeespiegel van alle tijden. Soms zijn ze het gevolg van een doorbraak, zoals de scheuring van de Bosporus met een enorme niveaustijging van de Zwarte Zee als gevolg – wellicht de bijbelse zondvloed – (5600 v.Chr.) en de doorbraak van het Nauw van Calais, met grote gevolgen voor de Noordzee (7200 v.Chr.).
Veel minder spectaculair is echter de heel geleidelijke niveauverandering ten gevolge van het subtiele evenwicht van de verdeling van warmte en koude en andere klimatologische omstandigheden over de aardbol. Na de doorbraak van het Nauw van Calais is de Noordzee tot op heden nog zo'n 35 m gestegen, dat is gemiddeld nog geen 4 mm per jaar. Maar er vinden soms flinke fluctuaties plaats, en daar gaat nu onze aandacht naar uit.
De gevolgen van een zeespiegelstijging (of -daling) voor een kustgebied hangen vooral sterk af van de helling van de kust. Bij een steile rotskust zal een stijging van bijv. 1 m nauwelijks consequenties hebben; bij een vlakke kust kan zo'n stijging echter enorme gebieden onder water zetten.
We moeten goed onderscheiden:
a. Een dijkdoorbraak. Daarmee wordt een menselijke ingreep ongedaan gemaakt. De natuur herstelt zich. Ik laat deze vorm buiten beschouwing, daar we ons bezig zullen houden met de oudheid. De eerste dijken zijn pas tegen het jaar 1000 aangelegd.
b. Stormvloeden. De daardoor veroorzaakte overstromingen eindigen weer zodra de storm voorbij is, en alle gevolgen zijn dus van voorbijgaande aard.
c. Duurzame veranderingen in het zeeniveau. Slechts deze zijn voor ons onderwerp interessant.
Bij een permanente overstroming ten gevolge van een structurele zeespiegelstijging spreekt men van een transgressie; het omgekeerde effect heet een regressie. Het gaat daarbij om een relatieve niveauverandering. Ook bodemdaling resp. stijging kan dus de oorzaak zijn.
Enkele gebieden op aarde zijn bij uitstek transgressiegevoelig, ten gevolge van de nauwelijks hellende kuststreken. Bekend is vooral Oost-Bengalen, het mondingsgebied van de Ganges, omdat dit gebied met een dichte bevolking nauwelijks door kunstwerken beveiligd is en dus bij elke springvloed een ramp beleeft.
Verder: de Landes (Frankrijk), de Povlakte (Italië), de Nijldelta (Egypte) en de noordkust van de Perzische Golf, het mondingsgebied van Eufraat en Tigris. En vooral niet te vergeten: de Lage Landen aan de Noordzee. Wij verkeren eigenlijk al duizend jaar in een transgressiesituatie, die we kunstmatig van ons af weten te houden: zonder dijken zou de helft van ons land permanent onder water staan.
Zeespiegelstijging en dus ook transgressie treedt niet op van de ene dag op de andere; ze voltrekt zich over decennia of zelfs generaties. Het werd dus in de oudheid niet ervaren als een ramp, maar had het karakter van een sluipende verslechtering van het klimaat. Aanvankelijk droge, gunstige woongebieden worden langzamerhand vochtig, de vegetatie verandert; ze ontwikkelen zich tot vennen en moeras, worden steeds vaker getroffen door incidentele stormoverstromingen, enzovoort. Als woongebied wordt het gebied onaantrekkelijk en de bevolking trekt geleidelijk weg. Ouderen, die beweren dat het vroeger veel beter was, worden als zeurpieten genegeerd. En een KNMI om de veranderingen cijfermatig te bevestigen bestond nog niet.
Vandaar dus, dat transgressies zelden terug te vinden zijn in eigentijdse geschiedschrijving van de oudheid. Een interessante uitzondering wil ik u niet onthouden. Ze heeft betrekking op het stadje Spasinou Charax aan het noordelijk uiteinde van de Perzische Golf. Plinius vermeldt in zijn Naturalis Historia over de ligging van deze plaats:
Het lag eerst op een afstand van 10 stadia van de kust, de Porticus Vipsania
2
toont het zelfs als een kustplaats. Maar volgens Juba ligt het 50 mijl van de zee, en heden ten dage bevestigen vertegenwoordigers der Arabes en onze eigen kooplieden, die er geweest zijn, dat het 120 mijl van de kust ligt.
Voorwaar een treffend voorbeeld van een regressie, een terugtrekkende zee!
Belangstelling voor de geschiedenis van ons land ontstond pas in de loop van de 16e eeuw, vooral door de verbreiding van de boekdrukkunst. Door het ontbreken van schriftelijke getuigenissen had men van de transgressies geen flauw benul. Zo ontstond de fictie van de continu doorlopende bewoning van ons land. De primitieve zestiende-eeuwse geschiedschrijving liet de Romeinse geschiedenis via de middeleeuwen naadloos overgaan in de moderne tijd. En die primitieve geschiedschrijving ligt nog steeds ten grondslag aan de huidige schoolboekjes. De periode van – pakweg – de vierde tot en met de zevende eeuw wordt daarbij afgedaan met vaagheden als volksverhuizingen. Die waren namelijk nodig om te verklaren dat er ineens heel andere volkeren in ons land leefden. Plaats- en volkennamen uit de Romeinse tijd worden probleemloos geëxtrapoleerd naar het heden. Elke plaatsnaam uit de Romeinse tijd moet overeenkomen met een moderne plaats (die dan zijn 2000-jarig bestaan kan vieren), en de Frisii uit de Romeinse tijd worden gelijkgesteld met de huidige Friezen. De grondleggers van de Bataafse Republiek zagen ons als rechtstreekse nakomelingen van de Batavieren.
Niemand vroeg zich af, hoe het vrij kleine Flevo-meer (zonder dijken !) zich had kunnen ontwikkelen tot de grote Zuiderzee. In het begin van de 16e eeuw begaven de dijken langs de Eemsmonding het en ontstond de Dollart, die zich toen uitstrekte tot Winschoten toe. Men was toen aanvankelijk technisch niet in staat het verloren gebied op de zee te heroveren. Niemand vroeg zich af, hoe de aanvankelijke dijken ooit tot stand gekomen waren. In 1953 werden een aantal Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden een prooi van de zee. Slechts na jaren zwaar werk met moderne technische middelen kon de schade hersteld worden. En wederom vroeg niemand zich af hoe de oorspronkelijke middeleeuwse bedijking tot stand gekomen was.
In het midden van de vorige eeuw begon het te dagen: er moet in de tussenliggende eeuwen iets met het waterniveau gebeurd zijn. Byvanck (1944) spreekt aarzelend van het stijgende grondwater als een van de oorzaken van de ontvolking van ons land tegen het einde van de Romeinse tijd. Delahaye (1980) sloeg door naar het andere uiterste, en meende dat in het hele 1e millennium ons land praktisch geheel onder water stond en dat de geschiedenis van de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen zich in werkelijkheid in Noord-Frankrijk had afgespeeld.
Inmiddels begon de transgressie-theorie opgeld te doen: zeespiegelstijging, afgewisseld door regressies. Allerlei reeds lang bestaande gegevens pasten als een legpuzzel in elkaar. In 2003 publiceerde Behre op basis van modern geologisch onderzoek zijn zeespiegelkurve van de zuidelijke Noordzee. Desondanks zijn nog lang niet alle historici bereid hun traditionele concept op te geven, en ook in geologische kring wordt Behre bestreden.

In België en Noord-Frankrijk zijn de meeste historici inmiddels tot het inzicht van de realiteit van de transgressies gekomen (bijv. Thoen 1978). Kaarten betreffende de late oudheid tonen daar de overstroomde laagvlakten met een reeks eilanden ter plaatse van de huidige duinen. Maar in Nederland verkeert men nog in de ontkenningsfase. In de recente Barrington-atlas van de Griekse en Romeinse Oudheid staan de Lage Landen afgebeeld naar de toestand tijdens de Romeinse regressie. Maar in Noord-Frankrijk en België staat met een bruine lijn extra de kustlijn uit de late oudheid aangegeven. In Nederland stopt die abrupt .......
De opeenvolgende transgressies van de Lage Landen worden aangeduid met de namen Duinkerke I t/m IV, naar de plaats waar men ze het eerst vastgesteld heeft. Wel heeft iemand iets soortgelijks in de westelijke Betuwe ontdekt, maar dat werd geweten aan de rivieren. Het is wel opvallend dat Tiel 1 t/m 4 synchroon liepen met Duinkerke I t/m IV!
Wanneer u op Google Earth van grote hoogte noordelijk Nederland bekijkt, ziet u wellicht met verbazing dat de Waddenzee helemaal dicht zit. Het is land, doorkruist door waterlopen. Blijkbaar zijn de foto's bij laagwater gemaakt. Toch wordt op gewone kaarten de Waddenzee als zee aangemerkt, en blauw weergegeven.
Als iemand op een kaart naar de toestand tijdens een transgressie ons land grotendeels blauw inkleurt, is hoon van de traditionele professionals zijn deel. Men wringt zich in allerlei bochten om aannemelijk te maken dat ons land merendeels continu bewoonbaar bleef. Vervening en inklinken zijn daarbij de toverwoorden. Maar vervening gebeurt slechts onder water. En grond kan slechts inklinken (slinken door uitdroging) als het eerst nat is geweest.
Ieder zinnig mens begrijpt dat ons land, als we de dijken wegdenken, tot NAP + 0 onder water staat, bij vloed (2× per etmaal) nog wat verder, en bij springvloed (2× per maand) veel verder. Natuurlijk, ingeklonken land zal als een spons uitzetten, maar ook niet verder dan tot het wateroppervlak, want daarboven droogt het weer in. En op drijfzand kun je beter geen huis bouwen. Kortom: wadden, moerassen en kwelders, dus blauw op de kaart! Zie de kaart aan het slot van dit artikel.
De Romeinse periode van de Lage Landen ligt in de tijd ingeklemd tussen twee transgressies van de Noordzee, bekend als Duinkerke I en Duinkerke II.
De aanwezigheid van de gealfabetiseerde Romeinen heeft ons in de tussengelegen regressieperiode een stuk geschreven geschiedenis opgeleverd. Helaas hebben de Romeinse historici (voornamelijk Cæsar en Tacitus) teveel als vanzelfsprekend aangenomen en zich onvoldoende gerealiseerd hoezeer de situatie na hun vertrek zou veranderen en hoe belangrijk dus hun informatie was. Vandaar dat het toch moeilijk is ons een beeld te vormen, vooral van de geografische en etnografische achtergronden van de gebeurtenissen in die tijd. Bovendien heeft slechts een klein deel van al het handgeschreven materiaal de middeleeuwen met volkomen gebrek aan historische belangstelling overleefd.
Toen de Romeinse legers ons land bereikten, was Duinkerke I juist voorbij. Wat troffen zij aan? Caninefaten (of Cananefaten, zoals ze tegenwoordig schijnen te heten) in het duingebied, voormalige eilanden. Friezen ten noorden van de Rijn; die waren vanuit het noordoosten de oprukkende kust gevolgd, en hadden dus een voorsprong op de Romeinen, die van de verkeerde kant kwamen. Verder was het zojuist drooggevallen land nogal leeg. De Batavieren (tegenwoordig Bataven) waren er nog niet. Dat is een ander verhaal.
We moeten ons goed realiseren, dat het hele, tijdens de Romeinse regressie drooggevallen, gebied later, tijdens Duinkerke II, weer overstroomde en enkele eeuwen onder water bleef staan. Er is in zijn algemeenheid dus geen reden om aan te nemen dat topografische toestanden uit de Romeinse tijd overeen moeten komen met de latere situatie. Het feit dat latere historici namen uit de Romeinse tijd hebben overgeplant naar hun eigen tijd geeft een valse indruk van continuïteit. Zo is het allerminst waarschijnlijk dat de huidige Friezen iets te maken hebben met de Frisii uit de Romeinse geschriften. Ook de ligging van het huidige Almere en Flevoland zou in de toekomst een valse suggestie kunnen geven over de ligging van het Romeinse Almere en Flevo.
Cæsar meldt, dat de Schelde uitmondt in de Maas. Dat is strijdig met de huidige loop van die rivieren. De moderne geologen hebben echter door gedegen grondonderzoek aangetoond, dat tijdens de Romeinse regressie de Schelde inderdaad vanaf de Nederlandse grens vrijwel loodrecht noordwaarts ging en ongeveer bij het huidige Vlaardingen uitkwam! (Zagwijn 1986).
Doordat we onze informatie over die tijd slechts uit Romeinse bronnen kennen, zien we de ontwikkelingen onvermijdelijk door een Romeinse bril. In onze geschiedenisboekjes wordt de komst van de Romeinen dan ook als een zegen beschreven: zij brachten ons de beschaving.
De Romeinen gedroegen zich echter niet bepaald als beschaafde gasten in vreemd gebied. Ze waren een ramp voor de autochtone bevolking. Ze gedroegen zich als übermenschen, die de zaak volledig naar hun hand zetten. Een volk dat niet in de pas liep, had kans volledig over de kling gejaagd of in slavernij gevoerd te worden. Genocide was normaal gebruik. In moderne ogen was Cæsar een oorlogsmisdadiger van het ergste soort. Ook deportaties van volkeren of gedeelten daarvan kwamen veelvuldig voor, goedschiks of kwaadschiks.
Daar de Romeinen uit eigen land geen onbeperkt grote legers konden rekruteren voor de instandhouding van het immense rijk, hadden ze de gewoonte voor de grensbewaking volksplantingen van onderworpen of bevriende volkeren te gebruiken, de zogenaamde fœderati. Om de kans op mogelijke samenzweringen te beperken, werden ze uit hun eigen stamgebied verplaatst naar een geschikt grensgebied van het rijk. Uiteraard kwamen daar alleen strijdbare mannen met hun aanhang voor in aanmerking, die dat accepteerden in ruil voor bepaalde voordelen (bijvoorbeeld het voordeel in leven te mogen blijven na een verloren veldslag!).
Een voorbeeld van dergelijke fœderati was een volksplanting van de Chatti (uit Hessen?), gevestigd op een eiland in de Rijn, aldus Tacitus. Dat eiland was dan de Batouwe (Betuwe), en de mensen kregen aldus de naam Batavi. Of deze koppeling tussen de namen Batavi en Betuwe echter niet uit een zestiende-eeuwse duim gezogen is, is zeer de vraag. Veel later, toen de Betuwe reeds lang door Duinkerke II verzwolgen was, was het Bataafse legioen nog steeds volop actief in het Romeinse leger.
In of omtrent het jaar 276
3
begon de Romeinse terugtocht, op de vlucht voor het water (en niet voor de Germaanse horden, zoals de traditie wil).
De transgressie vond niet plaats van de ene dag op de andere, maar nam decennia in beslag. Het werd niet ervaren als een catastrofe, maar had het karakter van een sluipende verslechtering van het klimaat. Vandaar dat men er nauwelijks iets over in de Romeinse annalen vindt; en dus ook niet in de (zestiende-eeuwse) traditionele Nederlandse geschiedschrijving. Waarschijnlijk werd de Romeinse staatsgrens, de limes, eerst als strategische maatregel teruggetrokken van de Neder-Rijn naar de weg Keulen – Boulogne, en pas een tijd later nog verder.
De langs de grenzen gevestigde fœderati werden in de steek gelaten. Ze werden onafhankelijk en verveelden zich stierlijk. En ze waren geselecteerd op hun strijdbaarheid! De gevolgen laten zich raden.
Maar een schrijvende pers was er niet meer. Er zijn geen geschriften, die ons het verdere verloop van de gebeurtenissen in die Germaanse gebieden tijdens Duinkerke II verhalen. Een volgende periode van geschreven geschiedenis begint pas met de komst van de missionarissen. Waarschijnlijk is er toen weer een beperkte regressieperiode geweest (Willibrordregressie), voorafgaande aan de middeleeuwse Duinkerke III-transgressie.
Het hiaat in onze geschiedenis tijdens de Duinkerke II-transgressie is eeuwenlang doodgezwegen, maar begint langzamerhand belangstelling te krijgen.
De laatste tijd is een Duitse kring van wetenschappers
4
doende met een project om het hiaat in de geschiedenis tussen het vertrek van de Romeinen en de komst van de missionarissen op te vullen door gebruikmaking van oral history, mondelinge overlevering.
Een fraai voorbeeld van overlevering kent elke gymnasiast: de Ilias, een heldendicht waarin de Trojaanse oorlog uit de dertiende eeuw v.Chr. beschreven wordt, werd pas in de achtste eeuw v.Chr. door Homerus op schrift gesteld. Mensen die geen schrift kennen, maar een goed geheugen en veel gevoel voor metriek hebben, kunnen urenlange gedichten feilloos onthouden en aan volgende generaties doorgeven. En om dicht bij huis te blijven: ik leerde van mijn vader een liedje Hop Marjanneke, dat uit de Franse tijd dateert (vroeger was de Prins in 't land, en nu die kale Fransen), en van mijn in Duitsland opgegroeide moeder Pommernland ist abgebrannt, dat gebeurtenissen uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) memoreert. Ook veel verhalen uit het Oude Testament moeten op soortgelijke wijze de schriftloze tijd overbrugd hebben.
Door onze wat overtrokken belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, wordt vergeten dat ook onze eigen voorouders een culturele erfenis hebben achtergelaten. Onze kinderen leren (nou ja, leerden ...) Grieks en Latijn, maar vrijwel niemand interesseert zich voor Oudgermaanse talen. Toch bestaan er in die talen vergelijkbare dichtwerken: de Beowulf in het Oudengels, de Edda in het Oudnoors zijn de bekendste.
Deze literatuur is jonger dan de Griekse en Romeinse, omdat het schrift in onze streken nu eenmaal veel later is doorgedrongen. In de 10e – 12e eeuw hebben skalden hun eeuwenoude liederen op schrift gesteld. Vergeeld en deels vergaan liggen ze – vergeten gelijk de Grieks-Romeinse in de middeleeuwen – in oude archieven. De Edda, bekend in versies van ca. 1200, werd pas midden zeventiende eeuw teruggevonden. De Beowulf is slechts bekend van één handschrift van ca. 1000, maar beschrijft gebeurtenissen van vele eeuwen eerder. Het trok pas de aandacht rond 1800.
Ook van vaderlandse bodem is een bard bekend: rond 790 leefde in Helwerd de blinde Berlef, die op onnavolgbare wijze de grote daden der voorvaderen en de oorlogen der koningen wist te bezingen. Hij werd echter door Liudger tot het christendom bekeerd, en zong vanaf dat moment alleen nog maar psalmen. Er is geen enkele tekst van hem overgeleverd. De missionarissen onderdrukten zoveel mogelijk alle herinneringen aan het heidense verleden, ook weer een handicap voor de geschiedschrijving in onze streken.
De genoemde Duitse studiekring is op het idee gekomen om oude mythen en sagen uit het begin van de Germaanse schrijfcultuur, dus van ca. 1000, te analyseren en te zoeken naar historische informatie uit de tijd van Duinkerke II, het grote hiaat in onze geschiedschrijving, en met verrassende resultaten.
In het Staatsarchief in Stockholm liggen middeleeuwse geschriften met oude verhalende liederen, door een schrijflustige skald verzameld in het Germaanse taalgebied en opgeschreven in zijn eigen dialect, het oudnoors. Hij was de Germaanse Homerus.
Een zo'n lied, Hlöðskviða, Hlods lied, ook wel bekend als De Hunnenveldslag, begint met een kort staatkundig overzicht:
| Ár kváðu Humla | Ze zeggen dat eertijds Humli |
| Húnum ráða, | de Hunen regeerde, |
| Gizur Gautum, | Gizur de Geaten, |
| Gotum Angantý, | Angantyr de Goten, |
| Valdar Dönum, | Valdar de Denen, |
| en Völum Kjár, | Kjar de Galliërs 5 , |
| Alrekr inn frækni | Alrek de Dappere |
| enskri þjóðu. | het volk der Angelen. |
Het lied beschrijft een ruzie tussen de Goten en de Hunnen. De standaard-interpretatie wil dat die veldslag plaatsvond ergens op het raakvlak van die twee volkeren, en wel in de Oekraïne, aan de Dnjepr. Wel wat erg ver weg van de andere genoemde volkeren, en ver buiten het interessegebied van de skald.
Volgens de mijns inziens zeer aannemelijke theorie van de eerder genoemde Duitse studiegroep gaat het wat de Goten betreft om gewezen fœderati, dus een gedeporteerde volksplanting langs de oude limes, na het vertrek van de Romeinen (276) achtergelaten als zelfstandig koninkrijkje aan de rechteroever van de Rijn. Zij leefden op de Veluwezoom en iets verder Duitsland in, tot Wezel
6
. Ten westen van de Veluwe klotste reeds de Waddenzee. De zogenaamde Hunnen waren duidelijk niet de bekende Aziatische horden van die naam, onder Attila, maar een Germaanse volksstam in Westfalen, beter aangeduid als Hunen, Hoenen of Heunen, die ook in andere verhalen voorkomt. Het was dus geen Hunnen- maar een Hunenveldslag
7
. Aanvankelijk leefden de Hunen met de Goten en andere fœderati in goede harmonie, maar na het vertrek van het Romeinse gezag sloeg de verveling toe en een vonk in het kruitvat was voldoende om de opgekropte hormonen van de krijgsman tot explosie te brengen.
Natuurlijk moet men bij de interpretatie van de tekst rekening houden met de nodige overdrijving om het lied aan het kampvuur de nodige spanning te geven. Zo is de grootte van de legers zeker met enkele nullen overdreven. En dat voedde juist de gedachte aan een enorme volkerenslag in de vlakten van de Oekraïne.
Koning Gizur van de Geaten (ook Gauten genoemd) was de pleegvader van koning Heiðrek, koning der Goten, en deze had een kind bij de dochter van koning Humli van de Hunen. Dergelijke nauwe relaties kan men zich ook beter voorstellen bij dicht bij elkaar levende stammen, dan bij enorme over heel Oost-Europa verspreide volkeren.
De hoofdstad van de Goten was . . . Árheim, Arnhem!
De hoofdpersonen komen niet in de geschreven geschiedenis voor, maar wel in vergelijkbare liederen van andere herkomst. Er is alle reden de kern van het verhaal serieus te nemen. De studiegroep heeft op grond van vergelijking van gegevens getaxeerd, dat de slag moet hebben plaats gevonden, ergens langs de Lippe, rond het jaar 320, een kleine halve eeuw na het vertrek van de Romeinen. En daarmee is Arnhem ineens 573 jaar ouder geworden!
8
Ik ga u niet de verdere inhoud van het lied vertellen. Dat zou afbreuk doen aan het werk van de dichter. U moet het (uiteraard in vertaling) zelf lezen. Wel tot uw geruststelling: de Hunen verloren uiteindelijk de slag, en verdwenen voorlopig uit zicht. Een slachting in die tijd was grondig! De Goten losten op in de smeltkroes waaruit u en ik voortkwamen.
De Geaten of Gauten, die de Goten bij de veldslag te hulp kwamen, moeten ook in de buurt geleefd hebben, maar zijn alleen uit de overlevering bekend. Anderzijds missen we in alle sagen en verhalen uit die tijd de Friezen. Hun stamgebied was onbewoonbaar geworden. Ze komen pas later weer ter sprake. De Saksen komen wèl in de sagen voor.
Een leuk zijspoor: de Hunen leefden als afschrikwekkende reuzen voort in de herinnering van de Goten, Geaten en anderen. Toen men later een naam zocht voor de reusachtige steenhopen in het landschap, zorgde de volksetymologie voor de oplossing: hunebedden. En terecht schrijft het woordenboek dat dus met één n. Ook de Hunenborg, de Hunnerberg en de Hunenschans moet men etymologisch waarschijnlijk met dit volk in verband brengen.
De transgressie betekende niet alleen, dat de zee was opgerukt tot halverwege ons land; ze had ook gevolgen voor het overblijvende oostelijke rivierengebied. En wellicht droeg de nog intacte Drususdam bij Tolkamer, maar een door verwaarlozing reeds dichtslibbende Drususgracht tussen Rijn en IJssel ertoe bij dat de Neder-Rijn een immens zware rivier werd, die veel sterker dan ooit tevoren een natuurlijke grens vormde, die zeker niet gemakkelijk voor mens en dier over te steken was.Vandaar dat in het lied van de Hunenveldslag volkeren ten zuiden van de rivieren, zoals de Batavieren, Galliërs en Romeinen geen rol spelen. In het Romeinse hoofdkwartier in Keulen heeft men waarschijnlijk nauwelijks weet gehad van de Germaanse broedertwisten.
De Romeinen hadden de grote heirbaan Keulen – Boulogne als nieuwe limes. Ook de Bataafse fœderati, uit de Betuwe weggespoeld, komen we daar rond 350 tegen. Rond 400 vinden daar ook weer nieuwe volksplantingen van Germaanse fœderati plaats. En de geschiedenis herhaalt zich: nadat de Romeinen ca. 410 Brittannië al hadden opgegeven, stortte rond 450 het Romeinse bewind in NoordGallië ineen. De fœderati kregen ook hier de status van zelfstandige koninkrijkjes, die elkaar naar hartelust bestreden.
In de periode tussen 276 en 450 had er nog een belangrijke ontwikkeling plaats: De romanisering van o.a. Gallië werd voltooid. Alle inwoners van het rijk hadden al het Romeinse staatsburgerschap verworven, hetgeen als een grote eer en voorrecht werd gevoeld. De Galliërs waren zo onder de indruk van de pracht en praal van de Romeinen, dat ze hun levensstijl alom gingen navolgen. En natuurlijk gingen ze ook de wereldtaal, het Latijn spreken, eerst alleen de elite, later iedereen. In de praktijk was het een gebrekkig aftreksel van het Latijn, dat zich nadien tot het Frans ontwikkelde. De oude keltische taal was rond 450 uitgestorven. En zo is het ook duidelijk hoe de taalgrens ontstaan is. Deze lijn dwars door België komt globaal overeen met de limes langs de weg (Keulen –) Maastricht – Boulogne.
Als er in die tijd in onze contreien over Romeinen gesproken wordt, betreft dat vrijwel altijd de zg. Gallo-Romeinen, de geromaniseerde Galliërs, die zich Romeins voelden, Latijn spraken, en het gezag van Rome volledig aanvaardden en vertegenwoordigden. Zij waren de voorouders van de huidige Fransen.
Binnen de gezichtskring van de Gallo-Romeinen is er wel geschiedschrijving (o.a. Gregorius van Tours
9
, maar voor de Germaanse randgebieden moeten we weer teruggrijpen op de orale overlevering. In die tijd speelt vooral de Wilkinensage, een verhaal over achtergelaten fœderaten-stammen in en om het grote Kolenwoud nabij de eerdergenoemde heirbaan. Deze sage is voor mij interessant omdat een der hoofdpersonen een koning Brunstein is, het oudst bekende voorkomen van mijn naam!
In dezelfde tijd speelt ook de Wiltensage, waarin de Westfaalse Hunen (met hoofdstad Susat = Soest) weer in de schijnwerpers komen, in een conflict met de Friezen. Of dit nakomelingen van de Frisii zijn, of juist de voorvaderen van onze moderne Friezen (of beide), is nog een onopgeloste vraag.
Men realisere zich, dat het voor ons slechts om een hiaat in de geschiedenis gaat, omdat vóór die tijd de Romeinen voor historische informatie zorgden, hoe gebrekkig ook. Maar voor bijvoorbeeld de Scandinavische landen, zonder Romeinse bezetting, gaat het om het begin van hun geschiedenis. De Scandinavische geschiedenisboekjes beginnen dan ook met een mythische oertijd. Zelfs de stamvader van het nu 1100 jaar oude Deense koningshuis, koning Gorm (eerste helft tiende eeuw), is nog met een mythisch waas omgeven. Zijn naam en status zijn slechts bekend uit enkele runeninscripties op gedenkstenen.
K.-E. Behre, Eine neue Meeresspiegelkurve für die südliche Nordsee, Oldenburg 2003
Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet, Transgressies en hun gevolgen, SEMafoor, mei 2000 (en
www.brucop.com)
Dr. A.W. Byvanck, Nederland in den Romeinschen tijd, Leiden 1944.
A. Delahaye, Holle Boomstammen, Zundert 1980.
R. Schmoeckel u.a., Die Wilkinensage, Band 3 van Forschungen zur Thidrekssaga, Bonn 2006.
H. Thoen, De Belgische kustvlakte in de Romeinsetijd, Brussel 1978.
W.H. Zagwijn, Nederland in het holoceen, Haarlem 1986.