Delahaye en Ptolemæus. 1
Enige overdenkingen door
Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet

Wegens mijn grote hekel aan natte voeten voor mijn Bataafse voorouders, heb ik veel sympathie voor het gedachtegoed van Albert Delahaye †, die immers het Eiland der Bataven op het droge wist te trekken, de noormannen uit ons land verjoeg en Karel de Grote zijn plaats wees.

Onlangs verschenen enkele postume publicaties van Delahaye, waaronder zijn interpretatie van de Geographia van Claudius Ptolemæus. De schrijver pleit ervoor Ptolemæus meer serieus te nemen, en beoogt dus een soort rehabilitatie van de wetenschappelijk niet hoog aangeslagen Alexandrijnse astronoom-geograaf.

Delahaye kan mij derhalve niet euvel duiden, dat ik eens begonnen ben, met voorbijzien van zíjn correcties en interpretaties, de gegevens van Ptolemæus in kaart te brengen, en die pas achteraf te confronteren met de opvattingen van Delahaye, in de stellige overtuiging dat deze daarin een extra bevestiging zouden vinden. Ik wilde immers niets anders dan mijn geloof in Delahaye beter onderbouwen, door als het ware zelf te ontdekken wat deze reeds gevonden had.

Helaas pakte het anders uit: hoewel ik nog steeds stellig geloof in de juistheid van de grote schoonmaakbeurt, die Delahaye op de Nederlandse geschiedenis heeft losgelaten, begin ik toch te vermoeden, dat hij te ver is doorgedraafd.

Wanneer Delahaye nog geleefd zou hebben, zou ik de discussie met hemzelf gezocht hebben. Nu kan ik me slechts langs deze weg tot ge´nteresseerden in het onderwerp, tot de lezers van zijn boeken wenden. Ik hoop dat de lezer de visie van Delahaye niet als een soort bijbelse waarheid beschouwt, maar ook open staat voor de mogelijkheid, dat hij het wel eens op onderdelen mis kan hebben gehad. Het zou er slechts om moeten gaan de waarheid te ontdekken, ongeacht of die precies overeenstemt met wat Delahaye geschreven heeft. Anders zouden we ons immers schuldig maken aan hetzelfde als wat we de gevestigde wetenschap verwijten: tot elke prijs vasthouden aan een eenmaal ingenomen standpunt.

* *

Aanvankelijk meende ik, dat de vele citaten in Delahaye's boek het wel mogelijk zouden maken de kaart van ons gebied volgens Ptolemæus te reconstrueren. Uiteindelijk bleken die echter toch te selectief gekozen, te onoverzichtelijk, en soms apert onjuist. Zo kwam ik ertoe de Geographia in een bibliotheek op te zoeken. Ik kreeg twee versies te pakken, een partiële uit 1923, en een volledige van 1966. Oudere versies konden wel opgevraagd worden, maar werden toch niet uitgeleend. Daar ik meen te mogen aannemen, dat de nieuwste versie tekstkritisch wel de beste zal zijn, baseer ik mijn beschouwingen vooral op de versie van 1966 2 , al doe ik in geval van twijfel ook wel eens een beroep op de andere uitgave.

De op de visies van Delahaye gefocusseerde lezer moet me maar vergeven, dat ik in eerste instantie alle kwesties als deplaceringen, westoriëntaties en al wat dies meer zij, buiten beschouwing laat, en de bron onderzoek zoals zij voor me ligt.

Ptolemæus leefde in Alexandrië, ca. 100-170, en was een prominent lid van de Grieks-wetenschappelijke wereld. Zijn publicaties waren in het Grieks, en werden voor de opkomst van de boekdrukkunst uiteraard slechts in handschrift overgeleverd, met alle gevolgen vandien.

Ptolemæus was astronoom, geen ontdekkingsreiziger. Het is absoluut een misverstand, dat hij met een soort mobiele sterrenwacht de wereld heeft afgereisd en overal plaatsbepalingen heeft verricht. Zijn verdienste ligt puur in het theoretische vlak: hij bedacht een systeem van plaatsaanduiding op een bol, zowel voor het hemelgewelf als voor de aarde toepasbaar. Hij was dus de middeleeuwers met hun platte aardschijf ver vooruit !

Zijn co÷rdinatensysteem met parallellen en meridianen, een evenaar op 0° NB, polen op 90° NB en ZB, en een parallel-omvang van 360° is tot op de huidige dag in gebruik, afgezien van verfijningen. Er is echter één belangrijk verschil: als 0°-meridiaan, waarvan de keuze in principe willekeurig is, geldt thans de meridiaan door de sterrenwacht van Greenwich. Ptolemæus koos een 0°-meridiaan zo ver naar het westen, dat de hele toen bekende wereld tussen 0° en 180° OL paste. Een „westerlengte” komt in zijn verhaal dan ook niet voor.

Het probleem om een boloppervlak op vlak papier weer te geven, is natuurlijk ook twee millennia oud. Ptolemæus beschrijft in zijn boek een systeem, waar we ons hier niet in zullen verdiepen. Het resultaat voor zijn totale wereldbeeld is hieronder afgebeeld (ontleend aan de Atlas antiquus van H. Kieperts). In de verdere afbeeldingen zal ik, om de beste vergelijkingen met moderne kaarten mogelijk te maken, het projectiesysteem toepassen dat men thans op de meeste landenkaarten in atlassen tegenkomt: rechte meridianen vanuit de noordpool, en concentrische parallellen (kegelprojectie).

Orbis Terrarum
Afb1. Het wereldbeeld van Ptolemæus.

Astronomische plaatsbepalingen waren toentertijd volslagen onmogelijk. Daarvoor zou hij zich met een perfect lopend uurwerk van een referentiepunt (Alexandrië) naar de bewuste plaats moeten begeven, en ter plaatse de beweging van de sterrenhemel moeten vergelijken met die in Alexandrië. Een fout van 4 minuten in de tijd zou een fout van 1° OL in de plaatsbepaling geven (in Nederland 70 km !). Er zal wel geen nadere uitleg over reisontberingen en de kwaliteit van uurwerken nodig zijn om duidelijk te maken hoe ondenkbaar dit in de oudheid was. De noorder- (of zuider-) breedte kon in principe wèl astronomisch bepaald worden. Daar is geen tijdmeting voor nodig, maar omslachtig is het wel. Uit alles blijkt in ieder geval, dat ook dit niet gebeurd is.

Zoals reeds gezegd, Ptolemæus was geen ontdekkingsreiziger, waarschijnlijk zelfs geen geograaf. Wellicht heeft hij slechts, om het praktische nut van zijn co÷rdinatensysteem te demonstreren, dit toegepast op een willekeurige voorhanden wereldkaart. Of die kaart de laatste stand van de wetenschap van dat moment weergaf, is allerminst zeker. Waarschijnlijk was zijn bron ook geen echte kaart, maar betrof het een compilatie van gegevens van diverse herkomst. Het was nu eenmaal in de oudheid niet zo, dat je even naar de dichtstbijzijnde universiteitsbibliotheek kon gaan, om de meest actuele informatie bijeen te zoeken. Alexandrië was weliswaar het voornaamste wetenschappelijke centrum van de oudheid, maar was toch, sedert zijn beroemde bibliotheek in 47 v.Chr. door toedoen van Julius Cæsar in vlammen was opgegaan, danig in verval.

Kortom: als we met behulp van de in de Geographia gegeven co÷rdinaten van plaatsen, riviermondingen, kapen, baaien, enz. een kaart reconstrueren 3 , is het resultaat gewoon het in zijn tijd geldende primitieve wereldbeeld, berustend op de toen bekende reisverslagen, met alle misvattingen en raadsels vandien, en waar Ptolemæus zelf part noch deel aan had. Bovendien was ze waarschijnlijk niet up to date, en samengesteld uit inconsistente bestanddelen.

Ptolemæus' werk was in het Grieks; ook voor de co÷rdinaatgetallen gebruikte hij Griekse tekens, waarvan sommige in handschrift zozeer op elkaar lijken, dat bij herhaaldelijk copiëren fouten onvermijdelijk waren. Bij het tekenen van de kaarten van het ons interesserende deel van Europa heb ik enkele evident onmogelijke situeringen maar genegeerd. Ook zelf zal ik bij het omzetten van de Griekse tekens naar punten in de tekening wel eens een vergissing begaan hebben. De namen heb ik zo goed mogelijk gelatiniseerd; ook daarop zal wel enige kritiek mogelijk zijn 4 Dat alles verandert echter niets aan het totaalbeeld.

Het resultaat in afb. 2 toont duidelijk grote vertekeningen ten opzichte van de ons vertrouwde werkelijkheid 5 Men moet zich daarbij goed voor ogen stellen, hoe ontdekkingsreizigers toen te werk moesten gaan: richtingen werden geschat door de zonnestand ten opzichte van een zeer globale tijdbepaling - 's nachts wat gemakkelijker met een poolster, als het weer meewerkte; afstanden werden gemeten door passen te tellen (niet voor niets was de afstandsmaat de mijl, in het Latijn milia passuum = 1000 passen). We moeten wel bedenken, dat de reiziger uit de oudheid niet, zoals wij, een al op de lagere school ingeprent kaartbeeld van (bijv.) Europa voor ogen had.

Afbeelding 2.
Afbeelding 2.

Is het dan zo vreemd, dat Denemarken scheef getrokken is ? Ptolemæus kende daar geen enkele plaatsnaam, slechts enkele kapen en baaien. Blijkbaar waren de rapporteurs zeelieden, die nog veel minder meetmogelijkheden hadden. Zo signaleert hij tussen Schonen (Scandia, de als een eiland opgevatte zuidkuststreek van Zweden) en Jutland drie eilanden met een enkelvoudige plaatsaanduiding voor de middelste. De grootte of een nadere situering van deze eilanden was hem onbekend. Dergelijke eilanden (ook elders) zijn op de kaart puur symbolisch aangeduid. Van rivieren is veelal alleen de monding aangegeven, soms ook de bron of een opvallende bocht. Rechte lijnen op de kaarten zijn dus ook symbolisch. Soms is de loop van een rivier te reconstrueren door een aantal daaraan gelegen steden.

Schotland, dat slechts bekend was uit sprookjesachtige verhalen, is geheel uit het lood geslagen. Of komt hier de „westoriëntatie” om de hoek kijken ? De Middellandse Zee tussen Spanje en Italië is opgerekt; Spanje is naar het westen, Italië naar het oosten getrokken. Dit alles neemt niet weg, dat we in de kaart toch de bekende contouren van Europa duidelijk herkennen.

Ptolemæus' co÷rdinaten hebben in principe een nauwkeurigheid van 5' (5/60 graad). In de dichtbevolkte streken als Italië en Spanje is dat ook inderdaad van toepassing. In Gallië en Germanië rondt hij echter bijna altijd af op 1/4 of 1/3 graad. Dat kan gemakkelijk een extra onnauwkeurigheid van 10 à 15 km ten gevolge hebben !

Afb. 3 toont een moderne kaart op dezelfde schaal (v.w.b. het coördinatenstelsel). Ik heb de landsgrenzen en een aantal rivieren aangegeven, zoals die corresponderen met de Ptolemæus-kaart. Het is daarbij onvermijdelijk de Albis, Visurgis en Amasius nog te interpreteren als Elbe, Wezer en Eems, met excuses aan Delahaye !

Afbeelding 3.
Afbeelding 3.

Het valt onmiddellijk op, dat deze kaart een groter deel van Europa laat zien dan afb. 2. Van Veen 6 meent, dat Ptolemæus, door uit te gaan van een te kleine aardomtrek, graden verkreeg die slechts 2/3 van de juiste afmeting hebben. Dat lijkt echter alleen voor de lengtegraden, dus voor de oost-west-richting, op te gaan. In de noord-zuid-richting kloppen de afmetingen heel redelijk: de „hoogten” van Engeland, Denemarken, „Nederland” en Spanje, en hun onderlinge noord-zuid-afstanden zijn goed. Ierland was slechts dermate vaag bekend, dat het geen maatstaf kan zijn. Het hele gebied staat ongeveer 1½° te veel naar het noorden. Uitgaande van zijn correcte breedte voor Alexandrië (31° NB - waarschijnlijk de enige plaats, waarvan hij over een astronomische breedtebepaling beschikte !), bedraagt de afwijking dus 1Ż° op 15 à 20°, dus minder dan 10%. Als men Ptolemæus' kaart alleen in de oost-west-richting een factor 2/3 zou verkleinen, zouden Denemarken, Spanje en Italië ook weer een stuk rechter komen te staan !

In afb. 4 heb ik Gallië en Germanië groter weergegeven, met vermelding van de plaatsnamen. De in afb. 4b getekende rode verbindingslijnen tussen de plaatsen worden straks verklaard.

Op het eerste gezicht lijkt Nederland er wel het minst nauwkeurig vanaf gekomen te zijn. Merk echter op, dat het Oostengelse laagland, Venetië, en waarschijnlijk ook een stuk van de Landes eveneens verdwenen zijn (lichtblauw getint in afb. 3). Ik waag het, hieraan de conclusie te verbinden, dat Ptolemæus ons een kaart voorgeschoteld heeft uit een transgressieperiode.

Afbeelding 4a. Afbeelding 4b.
Afbeelding 4 a) Gallië, b) Groot-Germanië volgens Ptolemæus.

Ptolemæus leefde zelf tijdens de Romeinse regressie, toen Nederland zelfs groter was dan thans (denk aan de Brittenburg in zee bij Katwijk !). Vandaar mijn mening, dat Ptolemæus werkte met geografische gegevens van ver voor zijn tijd. Dat is niet zo verwonderlijk. Het verzamelen van cartografische informatie was, voordat in de 16e eeuw technieken ontwikkeld werden, zo moeilijk, dat het vasthouden aan eeuwenoude gegevens volkomen normaal was. De wereld kon toch niet veranderen ? We weten inmiddels dat de bekende wereldkaart van Piri Reïs (1513) gegevens bevat die enkele millennia oud geweest moeten zijn.

In afb. 5a heb ik gepoogd een beeld te geven van de kustlijn van Normandië tot Jutland tijdens een transgressieperiode. Daarbij heb ik mij moeten baseren op een allegaartje van onsamenhangende gegevens. Voor Nederland geldt, dat heden ten dage de vloedhoogte ongeveer + 2 m NAP is, bij een (gewone) stormvloed + 3,25 m NAP, en in extreme omstandigheden (1953) + 4,50 m NAP. Zonder dijken zou Nederland dus pas vanaf de hoogtelijn van 5 m veilig bewoonbaar zijn. Er is dus maar weinig verhoging van het zeeniveau nodig om die 5 m-lijn ook als kustlijn te zien. Voor Nederland, België en Denemarken is het gebied beneden de 5 m-lijn donkerblauw getekend, maar ook het effect van een transgressie tot de 10 m-lijn aangegeven (lichtblauw). Het verschil tussen de 5 m en de 10 m is niet spectaculair; alleen zouden bij de 10 m-lijn als kustlijn een paar grote eilanden bij Antwerpen ontstaan en zou ook de Veluwe een eiland worden. De kustlijn in Zuid-Vlaanderen heb ik getekend zoals die in verschillende werken van Delahaye is aangegeven. Voor het Duitse en Engelse kustgebied heb ik helaas geen gegevens.

Men moet wel bedenken, dat het overstroomde gebied vrij ondiep was en dus stellig vaak droog viel. Het was waarschijnlijk een soort waddengebied, mogelijk met vloedbossen zoals eertijds de Biesbos.

Afb. 5b toont hetzelfde gebied volgens de gegevens van Ptolemæus. Deze beschreef de kust slechts door riviermonden, havensteden en kapen. Verder heb ik de kustlijn naar eigen inzicht aangevuld 3 . De overeenstemming met afb. 5a lijkt me frappant. Als men deze interpretatie accepteert, betekent dit dat Rhenus, Amasius, Visurgis en Albis „gewoon” de Rijn, Eems, Wezer en Elbe zijn. 7 De noordelijke tak van de Rhenus is de IJssel en de Vidrus de (Overijsselse) Vecht. De co÷rdinaten van Bruges (door Delahaye overgeslagen !) moeten onjuist zijn. Volgens de tekst van Ptolemæus zelf lag Bruges - in strijd met de co÷rdinaten - ten westen van de Tabulla. De identificatie van Mosa en Tabulla is lastiger. Als we aan willen nemen dat het de Maas en de Schelde waren, moeten die rivieren in de transgressietijd wel heel anders hebben gelopen dan thans. Het lijkt er eerder op, dat de Mosa de Schelde was. In afb. 2 en 4 zijn de veronderstelde transgressiegebieden met dunne lijnen ingetekend.

Interessant is het ook, hiermee de kaart van Sebastian MŘnster (1536) te vergelijken (afgebeeld in Delahaye, De Bisschop van Nijmegen, blz. 72). Ook daarop is Nederland een grote holte in de kustlijn, en is de Veluwe een eiland.

Merk op, dat Ptolemæus in de Noordzee twee eilanden met name noemt: Toliapis en Counnus (ze staan in het hoofdstuk over Brittannië). Zoals voor alle eilanden, heeft men aan zijn plaatsbepaling geen enkel houvast. Ze lagen waarschijnlijk binnen de hedendaagse kustlijn.

Afbeelding 5.
Afbeelding 5 a) tijdens een transgressie, b) volgens Ptolemæus

* *

En nu dan de visie van Delahaye.

Het is wellicht goed er nadrukkelijk op te wijzen, dat in mijn betoog tot nu toe de „windrichtingen” geen enkele rol hebben gespeeld. Voorzover ik de woorden oost, west, enz. heb gebruikt, was dat slechts voor mijn eigen gemak om de richting op het papier aan te duiden. Als Delahaye dus op blz. 176 8 beweert, dat de aan Ptolemæus ontleende kaarten niet deugen, omdat men „het grondprincipe van Ptolemeus, de west-oriëntatie” niet heeft opgemerkt, dan is dat onzin. Integendeel, de historici hebben, in hun poging om Lugdunum naar de Nederlandse kust te slepen, en dus de benedenloop van de Rijn een oost-west-richting te geven, dit gebied zelf een kwartslag linksom gedraaid, zich beroepende op de grove vertekeningen van de kaart. Dat is dus dezelfde draai, die Delahaye toepast om dit gebied in Zuid-Vlaanderen te kunnen leggen. Ik meen echter in het voorgaande duidelijk gemaakt te hebben, dat er geen enkele draaiing nodig is, als men er de transgressieproblematiek bij betrekt.

Vooral ook uit de laatste alinea van blz. 178 blijkt, dat Delahaye van het coördinatensysteem van Ptolemæus weinig begrepen heeft. Dat heeft gevolgen voor allerlei teksten.

De correcte vertaling van tekst 89 (origineel in de Geographia, deel VIII, hoofdstuk 3) luidt:

De derde kaart van Europa 9 omvat Gallië in vier provincies, met de nabijgelegen eilanden. In het midden daarvan verhoudt de parallel zich tot de meridiaan als 2:3.
De kaart wordt begrensd, in het oosten door Groot-Germanië, Italië en Rhætië, in het zuiden door de Gallische zee, in het westen door de Pyreneese bergen en de Aquitaanse Golf, in het noorden door de Britse oceaan.

Uit vergelijking met de overeenkomstige teksten voor de andere negen kaarten van Europa, blijkt dat de verhouding 2:3 niets te maken heeft met de afmetingen van het land, maar betrekking heeft op de afmetingen van de „rechthoeken”, die door het co÷rdinatensysteem gevormd worden. Deze verhouding is de cosinus van de noorderbreedte, en is precies 2/3 bij 48,2° NB.

Wat betreft de veronderstelde west-oriëntatie van Ptolemæus, moet men natuurlijk goed onderscheid maken tussen de interpretatie van de woorden noord, west, zuid en oost enerzijds, en een eventuele draaiing van het co÷rdinatenstelsel anderzijds. Het zal inmiddels duidelijk zijn dat van het laatste redelijkerwijs geen sprake kan zijn. Het coördinatenstelsel, en daarmee de methode van reconstructie van de kaarten, is gekoppeld aan de draaiing van de aarde (of in Ptolemæus' visie: van het hemelgewelf), met polen en een evenaar. Als de resulterende kaart dus oriëntatiefouten vertoont, ligt dat niet aan Ptolemæus' oriëntatie, maar aan misverstanden die reeds in zijn bronnen aanwezig waren.

Delahaye raakt met de oriëntatie hopeloos in de knoop. Een west-oriëntatie, zoals door hem steeds naar voren gebracht, zou moeten betekenen dat men een antieke kaart linksom moet draaien om een moderne voorstelling te verkrijgen (denk maar aan de bovenliggende Noordzee, die na correctie linksom op een moderne kaart links ligt).

Op blz. 180-181 doet hij echter precies het omgekeerde: hij draait de linker (originele) kaart rechtsom om de rechter (moderne) kaart te krijgen. Dat was overigens volkomen overbodig, want in werkelijkheid toont juist de rechterkaart het originele beeld van Ptolemæus, dat precies klopt met de (moderne) werkelijkheid (afgezien van de ten onrechte vierkant getekende rechthoeken).

Op blz. 183 heeft hij inderdaad de kaart van het Noordzee-kustgebied linksom gedraaid, en zit hij dus weer in het rechte spoor om Germanië naar Zuid-Vlaanderen te kunnen brengen. Nogmaals: voor de juistheid van die theorie kan hij zich beslist niet op Ptolemæus beroepen; in Ptolemæus' tijd was de fout kennelijk reeds gemaakt !

De kaart op blz. 188 is weer gewoon volgens Ptolemæus; er is niets aan gecorrigeerd.

De oorzaak van al deze misvattingen is waarschijnlijk, dat Delahaye af en toe de coördinaten verwisselt, en dan spreekt over een westerlengte en noorderbreedte. Dan moet hij inderdaad een slag naar rechts draaien om het goede beeld te krijgen. De getallen bij afb. 1 tonen echter ondubbelzinnig hoe Ptolemæus zijn coördinaten bedoeld heeft.

Blijft dus de vraag, of Ptolemæus met de (Griekse) woorden (voor) noord, west, zuid en oost iets anders bedoeld heeft. De boven geciteerde tekst 89 duidt daar niet bepaald op. Hoogstens is de richtingaanduiding van de Pyreneeën dubieus. Een draaiing over 90° zou absolute onzin opleveren. Een draaiing over 45° (à la Van Veen 10 is echter te verdedigen.

Een sterk argument meent Delahaye nog gevonden te hebben in tekst 90. Deze tekst is ontleend aan Deel 2 hoofdstuk 7 van de Geographia, en heeft betrekking op Aquitanië. De juiste vertaling is:

Aquitanië nu wordt begrensd, in het westen door de Aquitaanse oceaan, met de volgende beschrijving van de kustlijn vanaf het uiteinde van de Pyreneeën bij Oiasso (Oyarzun, Irún bij San Sebastian): ........
In het noorden [grenst Aquitanië] aan de provincie Lugdunesië langs de [eerder] genoemde rivier Liger (Loire), tot haar bocht naar het zuiden: .......
De oostkant grenst deels aan Lugdunesië langs de rivier Liger tot aan haar bron: ........ en deels aan Narbonesië tot aan het einde bij de Pyreneeën: .......
De zuidzijde grenst deels aan de Pyreneeën en [deels] aan Narbonesië; aan Narbonesië vanaf de bron van de rivier Ligeira tot het [eerder] genoemde einde in het gebergte de Pyreneeën; en vandaar langs het westelijk deel van de Pyreneeën tot hun uiteinde bij Oiasso.

Pas in hoofdstuk 8 volgt dan de beschrijving van Lugdunesië, aldus:

De grenzen van Lugdunesië met Aquitanië zijn [reeds] beschreven; van de overige [grenzen] heeft die in het westen en verder langs de oceaan de volgende beschrijving: .......
De grens in het noorden en langs de Britse oceaan
11 is aldus: .....
De oostzijde grenst aan Belgica langs de rivier Sequana (Seine): ......, en verder langs dezelfde lijn rechtuit tot het eindpunt: .......
De zuidelijke [zijde] grenst van daar af deels aan Narbonesië tot aan het genoemde einde bij Aquitanië.

Door juist de eerste tekst onvolledig weer te geven, en op Lugdunesië te betrekken, maakt Delahaye er een warboel van, en wekt hij ten onrechte de indruk dat deze tekst de west-oriëntatie bevestigt.

Hoewel ik niet alle richtingaanduidingen van Ptolemæus heb gecontroleerd, blijken dus in ieder geval de twee te dezer zake belangrijkste citaten van Delahaye (teksten 89 en 90) hem niet te steunen. Het is dan ook mijn overtuiging, dat Ptolemæus dezelfde interpretatie aan de windrichtingen gaf als wij dat heden ten dage doen. Eigenlijk kan men ook nauwelijks anders verwachten van iemand, wiens werk geheel gebaseerd was op een co÷rdinatennet met polen en evenaar.

Dat laat natuurlijk onverlet de mogelijkheid, dat anderen (vooral de Romeinen), in een andere periode, een andere werkwijze gevolgd hebben.

* *

In het voorgaande heb ik mij nog zorgvuldig onthouden van „vertaling” van plaatsnamen. De reden is, dat ik ook daarover reeds direct op evidente onlogica in Delahaye's verhaal stuitte. De eerste de beste poging, die betrekking had op de kust van Lugdunesië, een qua situering en oriëntatie onomstreden gebied, leverde het volgende op.

Ptolemæus volgt bij zijn opsommingen over het algemeen een logische volgorde. Zo beschrijft hij de bedoelde kust vanaf de Loire tot de Seine volgens de route in afb. 6a 12 . Vertaald naar een moderne kaart en gebruikmakend van de plaatsidentificaties van Delahaye (tekst 92) ontstaat de route van afb. 6b, een volslagen onlogische kris-kras-route. De monding van de rivier Argenus vertaalt hij door de plaatsnaam Vieux-Bourg. Zou het niet gewoon de Arguenon zijn ? De monding van de Olina (ongetwijfeld de Ollonde) en de plaats Nœomagus slaat hij over.

Afbeelding 6.
Afb 6. Van de Loire naar de Seine volgens a) Ptolemæus, b) Delahaye

* *

In afb. 7 heb ik de plaatsen van Lugdunesië, Belgica, en Opper- en Neder-Germanië (dus niet van Groot-Germanië) (teksten 92 t/m 98) getekend volgens de identificaties van Delahaye, voorzover ze niet buiten de kaart vallen. Door verschillende tekens is aangegeven tot welk dezer vier gebieden de plaatsen behoren.

Het valt direct op, dat:

Afbeelding 7.
Afbeelding 7. Noord-Gallië volgens Delahaye.

Overigens is zijn omschrijving van de Bruche (nota 96-3) geheel verkeerd. Die begint niet bij Marlenheim (dat is de Mossig), en eindigt niet bij St. Dié (dat is de Fave), maar begint bij Bourg Bruche, 15 km noordoost van St. Dié, en eindigt in Straatsburg, waar hij in de Ill, en via deze in de Rijn uitkomt.

Tot zover is er echter nog niets sensationeels aan de hand. Dat hij de plaatsen van deze gebieden binnen de Franse grenzen getrokken heeft, hadden we immers niet anders verwacht. De klap op de vuurpijl van Delahaye wordt natuurlijk zijn interpretatie van Groot-Germanië.

Als men zijn betoog globaal leest, is Delahaye van mening dat Ptolemæus zijn locaties goed bedoeld heeft, maar dat de wetenschap door verkeerde interpretatie van zijn co÷rdinaten (o.a. de „west-oriëntatie”) de fout ingegaan is. Men zou dus mogen verwachten, dat de kaart van Ptolemæus (afb. 4b) en een kaart met alle door Delahaye gegeven interpretaties (teksten 99 t/m 104) enige gelijkenis met elkaar zouden vertonen, zij het dat Delahaye's kaart verkleind, linksom gedraaid en naar Zuid-Vlaanderen opgeschoven zou zijn, Duitsland kaal achterlatend.

Ik heb me veroorloofd de eerste drie reeksen steden (tekst 101-103) volgens de identificaties van Delahaye in kaart te brengen: afb. 8a 13 . De vierde reeks heb ik achterwege gelaten, omdat ook Delahaye die in Zwitserland, Oostenrijk en Hongarije situeert, ver buiten het ons interesserend gebied. Het resultaat toont ons twee clusters plaatsen, een in Zuid-Vlaanderen en een in de streek tussen Luxemburg en Straatsburg. Heel onbevredigend daarbij is, dat eerder genoemde plaatsen (uit afb. 7), die hier midden tussendoor zouden moeten liggen, nu niet genoemd worden. Ze zijn als rode stippen (zonder namen) tussen de andere getekend.

Men zou nu dus enige gelijkenis tussen afb. 4b en afb. 8a verwachten. Ptolemæus heeft Groot-Germanië in vier stroken verdeeld, en noemt de plaatsen daarin van links naar rechts. De volgorde, waarin hij de plaatsen noemt, heb ik voor de drie beschouwde stroken in afb. 4b aangegeven door verbindingslijntjes. Het is een volkomen logische volgorde om de plaatsen op te sommen, zoals men het wellicht zelf ook gedaan zou hebben. In afb. 8 zou men nu dus drie verticale stroken verwachten, waarin de plaatsen van onder naar boven worden opgesomd. Om dit na te gaan heb ik ook hier (nagetekend in afb. 8b) de overeenkomstige verbindingslijntjes getekend.

Het resultaat is ontnuchterend: De eerste serie ligt nog gescheiden van de beide andere, maar dat is ook het enige positieve punt. Verder worden de meest wilde sprongen gemaakt, is het een volslagen wirwar van lijnen. Daarmee is Delahaye's weergave van Ptolemæus' bedoeling volkomen ongeloofwaardig geworden. Hierbij moet gezegd worden, dat Delahaye ook nauwelijks enige verantwoording voor zijn identificaties geeft. Het lijkt erop, dat hij alleen maar in het betrokken gebied plaatsnamen gezocht heeft die een zekere klankovereenkomst met de Grieks-Romeinse namen hebben, en daarbij nagelaten heeft op een logische situering te letten.

Afbeelding 8a.
Afbeelding 8, De plaatsen van Groot-Germanië volgens Delahaye.
a) De plaatsen met hun hedendaagse namen.
b) De plaatsen in de volgorden der drie reeksen.

Afbeelding 8b.

* *

Wat moet nu de conclusie zijn ? Ik kan in het betoog van Delahaye geen enkel bewijs vinden, dat Groot-Germanië in het aangegeven Franse gebied gelegen moet hebben. Zijn identificaties van de plaatsen zijn, zoals ik nu wel aangetoond meen te hebben, volkomen ongeloofwaardig. Delahaye kan zich op Ptolemæus beroepen - en omgekeerd draagt hij bij tot de rehabilitatie van Ptolemæus (c.q. diens bronnen) - voorzover het gaat om de transgressiekwestie, al heeft hijzelf die niet eens bij Ptolemæus herkend. Maar terzake van zijn verplaatsing van Groot-Germanië naar Zuid-Vlaanderen werkt zijn beroep helaas averechts. Men zou slechts kunnen besluiten, dat het (veronderstelde) misverstand dat Groot-Germanië in Duitsland ligt geen middeleeuwse mystificatie geweest is, maar reeds ten tijde van Ptolemæus bestond.

Wie mij van het tegendeel wil overtuigen: ik sta er graag voor open. Ik ben maar een leek, en heb niet meer historische achtergrond dan mij ooit op het gymnasium werd bijgebracht. Maar ik heb wel logisch leren denken, en argumenten moeten de toets der logica kunnen doorstaan.

Zoals reeds in de aanhef gezegd: ik heb grote affiniteit met de oorspronkelijke denkbeelden van Delahaye. Laten we vooral niet vergeten, dat het hier maar om één onderdeel van Delahaye's gedachtegoed gaat. De kwestie Germanië is door de recente publicaties extra in de aandacht gekomen. Maar zijn voornaamste werk: Nijmegen, Willibrord, de noormannen en de verdronken Betuwe, staat hier vooralsnog buiten. Zoals reeds gezegd: Delahaye is alleen maar te ver doorgedraafd.

* * *